“Bach is buiten categorie: je kan zijn muziek niet kapotmaken”

Marcel Ponseele en 25 jaar Il Gardellino
Muziek
Marcel Ponseele

Sociale ellende, te vroeg gevallen fin-de-siècle, Thatcher en punk: de jaren tachtig staan bij ons niet meteen als een gouden periode geboekstaafd. Voor een specifiek deel van de klassieke muziek waren ze dat in zekere zin echter wel: de ‘oude’ muziek – dat wil hier zeggen de beweging die in de eerste plaats de uitvoeringswijze van barokmuziek opnieuw historisch correcter wilde maken – bereikte in die jaren tachtig, na ruim drie decennia pionierswerk, een soort hoogtepunt. Niet alleen mondden de experimenten met het bespelen van zeer oude instrumenten uit in min of meer gestructureerde kennis en scholen, ook ontpopte de nieuwe – dus oude – lezing van Bach, Handel, Vivaldi, Telemann en veel, al te veel anderen zich tot verhoudingsgewijs miraculeuze handelswaar.

Rudy Tambuyser

 

Midden in die jaren tachtig ontstond Il Gardellino, het naar een fluitconcerto van Vivaldi genoemde ensemble van fluitist Jan De Winne en Marcel Ponseele. Die laatste is de wonderlijke barokhoboïst die van talloze concerto-, cantate- en passie-opnamen de fundamentele kleur heeft bepaald.

Il Gardellino bestaat dit jaar 25 jaar, precies half zo lang als Musica Antiqua (heden MA-Festival), het Brugse pioniersfestival dat tot het volwassen worden van de oude muziekbeweging zo veel heeft bijgedragen, niet in de laatste plaats via de hoog aangeschreven wedstrijd voor epoquemusici die er al sinds heugenis deel van uitmaakt.

Il Gardellino is er deze zomer te gast voor een speciaal concert, waarin laureaten van de wedstrijd uit verschillende generaties elkaar ontmoeten voor een muzikaal feestje. Een jamsessie, laten we zeggen, al staan de noten dan op – precieus – papier. Genoeg reden, in elk geval, om Marcel Ponseele te gaan spreken. We treffen hem in zijn kersverse, hoewel eeuwenoude woning in het Turnhoutse begijnhof, alwaar zijn meubilair voorlopig slechts uit een tafel, twee stoelen en een fantastische Blüthner-vleugel bestaat.

 

Mijnheer Ponseele, noem mij gerust subjectief en pathologisch nostalgisch, maar bij 25 jaar Il Gardellino denk ik terug aan eind jaren tachtig: volgens mij de tijd van de mooiste Bach-opnamen die ooit gemaakt zijn. Heeft u een herinnering aan die dagen, en überhaupt een voorkeur?

Marcel Ponseele: “Ik heb zeker een gelijkaardig gevoel van nostalgie als ik naar oude opnamen luister, vooral met het Collegium Vocale (het Gentse koor en orkest van Philippe Herreweghe – RT). Je voelt daarin toch een soort gedrevenheid die inmiddels door een zekere pretentie is vervangen: we hebben het gemaakt en we weten het. Indertijd was alleen al het beheersen van de oude instrumenten niet evident. De zangers waren bijna allemaal amateurs.

Nu zijn het beroepszangers uit de hele wereld. Je krijgt het gevoel te rijden met het allerlaatste topmodel van Mercedes. Full option, en alles werkt perfect. Maar ik heb onlangs nog een Johannespassie gedaan met een amateurkoor uit Gent, El Grillo, en ik moet zeggen: ik was echt ontroerd, ik voelde weer even die rillingen die ik me herinner uit de jaren dat ik begon. Eerlijk, ik mis soms de harde kerkstoelen. ’t Is nu allemaal fluweel, warm en knus, maar blijkbaar gaat het daar toch niet om.”

 

Wat was, terwijl de voor de barokmuziek redelijk wonderlijke jaren tachtig woedden, de reden om Il Gardellino op te richten?

MP: “Oprichten is veel gezegd. Het is eigenlijk een continu vervolgverhaal, waaruit Il Gardellino uiteindelijk is voortgekomen. Toen ik een jaar of zestien, zeventien was, volgde ik een cursus onder leiding van Patrick Peire – Paul Dombrecht gaf er een hobostage. Daar heb ik de smaak voor oude muziek te pakken gekregen en voor het eerst een barokhobo gezien. In de nasleep daarvan richtte ik met Marc Peire – Patricks broer – en Florian Heyerick een ensemble op, het Telemann Consort. We speelden overal in Nederland koffieconcerten: ’s morgens om vijf uur vertrekken met een camionette, spelen, een bonnetje voor één koffie krijgen en weer naar huis rijden (lacht). Nu, ook puur muzikaal bleven we nog een beetje op onze honger – sommigen van ons speelden zelfs nog op moderne instrumenten. We hebben dan het Kwintet der Jacobijnen opgericht, met Piet Stryckers op gamba en Guy Penson op klavecimbel. Naar violisten hebben we lang gezocht, herinner ik me. Maar ook in die groep is er uiteindelijk een afscheuring gekomen. Uiteindelijk is daaruit Il Gardellino gedistilleerd, met jan De Winne op fluit. Toen is de aanpak toch aanzienlijk professioneler geworden.”

 

U speelde toen al in zowat alle grote barokformaties van betekenis. Was een eigen ensemble nodig om uw eigen ei te kunnen leggen?

MP: “We wilden kamermuziek kunnen spelen. In ben begonnen bij La Petite Bande, dan bij Ton Koopman, bij de Chapelle Royale en het Collegium Vocale onder Philippe Herreweghe: dat was allemaal het grotere orkestwerk. De kamermuziek ontbrak. Bovendien: in een orkest bestaat democratie niet. Je hebt een dictator en die heeft het voor het zeggen. Het zijn wel meestal goede dictators, met wie je weliswaar in dialoog kan gaan, maar toch: in je eigen ensemble kan je toch wat meer voor jezelf spreken. Je trekt mensen aan met wie je echt graag speelt, terwijl je in een orkest hoe dan ook met collega’s wordt geconfronteerd van wie je denkt: die zou ik nooit vragen.”

 

Dictator, zegt u: ik had precies het idee dat de oude muziekbeweging, naast zijn zoektocht naar stilistische justesse, net ook gekenmerkt werd door een wat menselijker, collegialer verhouding tussen chef en muzikant.

MP: “Dat is niet echt het geval. En voor alle duidelijkheid: ik vind dat ook niet nodig in een orkest. Als iedereen in zo’n grote groep zijn mening moet geven, laat staan zijn wil opdringen, dan geraak je er nooit uit. Dat is trouwens het mooie aan iemand zoals Philippe Herreweghe. Die geeft ideeën, die zegt: kijk, we gaan zo’n schilderij maken… Wat denk je van die kleur? Hij laat dingen open, zodat je als muzikant het gevoel krijgt dat je bijdraagt aan een eindresultaat.”

 

Met uw eigen ensemble kon u zelf accenten leggen. Waarop precies?

MP: “Zoals ik zei: we hebben ons vooral op kamermuziek toegespitst. Gedurende mijn hele loopbaan, en zeer expliciet de laatste jaren, ligt Johann Sebastian Bach me zeer nauw aan het hart. Ik heb onlangs ook een concert- en opnameproject opgestart dat ik mijn ‘muzikaal testament’ heb genoemd.”

 

Dat is een hevige formulering.

MP: “Ja, veel mensen vonden het wel érg zwaar; het zou klinken alsof ik dodelijk ziek ben of zo. Maar ik bedoel het letterlijker dan dat: testament als getuigenis over hoe wij die muziek al die jaren beleefd hebben. Ik heb rond thema’s gewerkt. Er was een eerste cd rond verlangen, vervolgens een rond het thema ‘De profundis/Aus der Tiefen’. Dan kwamen de Lamentaties en dus de dood aan de beurt. En binnenkort komen de laatste twee delen uit – eigenlijk was het idee om zeven delen te maken, maar met de crisis is het bij een vijfluik gebleven (lacht).”

 

Il Gardellino (c) Tim Heirman

 

Over Bach gesproken: er zijn onder zijn bewonderaars twee strekkingen: één die hem ziet als logisch culminatiepunt in de evolutie van een stijl, een andere die in hem een genie van onvergelijkbare orde ziet. Iets speciaals, ook los van stijl en tijd. Ik zit in het tweede kamp, en u?

MP: “Je kan inderdaad Bach zien als gewoon ‘een’ zeer goede barokcomponist, zoals ook Telemann er een was. Maar waar ligt de kracht bij Bach? Dat die een universele boodschap heeft gebracht. Het maakt mij in wezen weinig uit of je Bach speelt op een klavecimbel of een piano of een tuba; je kan zijn muziek niet kapotmaken.”

 

Men zegt van muziek sowieso dat ze een universele taal is.

MP: “Ja, maar zo bedoel ik het niet. Je kan desnoods rekenkundig uitdrukken hoe hoogstaand Bachs muziek was. Alleen: hij heeft nooit gerekend, hij bezat gewoon het inzicht. Je kan proberen met veel moeite een huis te tekenen zoals je het graag zou willen. Maar vraag het aan een goede architect en die doet dat in een fractie van de tijd honderd keer beter: in één klap perfect, en zo is het bij Bach ook. De Gulden snede. Luister naar het Kyrie uit de h-moll-Messe en je hoort het. Sla aan het rekenen en je ziet het. Vanuit welk gezichtspunt ook: die muziek is volmaakt. Ben je katholiek, ben je protestant; ben je westers of niet… Ik heb veel concerten gespeeld in Japan. Mensen hebben daar de bijbel niet gelezen, ze kennen de verhalen absoluut niet. En toch maken Bachs passies daar even sterke emoties los als hier.”

 

Een belangrijk punt lijkt Bachs vroomheid. Zelfs Herreweghe voelt zich hoe langer hoe minder geplaatst om die muziek te spelen, omdat de kans bestaat dat hij als ongelovige een belangrijk perspectief op het materiaal mist.

MP: “Hij durft zelfs te zeggen dat de teksten die Bach gebruikt karamellenversjes zijn. Volgens mij is hij dan ook niet bezig met de esoterische kant van de zaak. Hij ziet er de diepere waarde niet van in. Neem iets compleet anders: sprookjes. Je kunt zeggen: wat een belachelijk verhaal, Roodkapje die opgegeten wordt door de wolf. Maar als je erover nadenkt: dat verhaal verschilt niet wezenlijk van het verhaal van de dood van Christus en zijn verrijzenis. Dat zit daar allemaal in. Bach heeft zijn religie op een universeel niveau getild. Dat maakt hem speciaal. Hij staat boven het katholicisme, hij staat boven het protestantisme. Vandaar dat die muziek nog zo sterk aanspreekt vandaag. Mocht Bachs muziek er trouwens niet geweest zijn, dan was ik er ter hoogte van het Telemann Consort al lang mee opgehouden (lacht).”

 

Veel muzikanten herinneren zich één ogenblik, een soort Paulus-moment, waarop hun liefde voor muziek haar aanvang nam en dus hun latere muzikantschap eigenlijk geboren werd. René Jacobs noemt bijvoorbeeld één concrete uitvoering van de Mattheuspassie, met het knapenkoor van de jezuïeten in Gent. Heeft u ook zo’n moment?

MP: “Een echte blikseminslag ga ik het niet noemen, maar ik herinner me ook heel goed dat toen ik tien was, mijn papa me meenam naar de Mattheuspassie, in de Walburgakerk – een enorme kerk, toch toen in mijn kinderogen. Ik had net mijn eerste jaar notenleer achter de rug en ik zat naast een mevrouw die aan het luisteren was met een pianoreductie van de Mattheuspassie op haar schoot. Ik weet nog dat ik probeerde te volgen. Dat heeft toen een ongelooflijke indruk op mij nagelaten. Mocht ik die uitvoering nu horen - het was met het West-Vlaams Orkest, geloof ik – weet ik niet of ik het nog zo goed zou vinden. Maar toen vond ik het ongelooflijk. Ik weet nog dat ik ben thuisgekomen en het arioso met twee hobo d’amore’s (Wiewohl mein Herz in Tränen schwimmt – RT) op de piano probeerde terug te vinden – dat was het felst blijven hangen. Nu nog steeds, telkens ik dat arioso speel, komt die herinnering terug op me af.”

 

Peter Eötvös, nochtans een pietje precies, hoorde als kind Les Noces van Stravinski. De klarinetten waren in een bepaalde passage een klein beetje vals ten opzichte van elkaar. De opwinding van die passage sneedt er zo diep in, dat hij vandaag nog steeds aan de klarinetten vraagt, een beetje vals te spelen op die plek.

MP: “Ja, we dragen allemaal zo’n kleine misvormingen. Ik heb mijn kinderen lange tijd naar school gebracht op de tonen van Le Sacre du Printemps (het hevige ballet uit 1913 van Stravinski – RT) op de achtergrond. De kinderen kennen dat van buiten, ze vinden het, anders dan vele mensen, een doodnormaal muziekstuk. Maar onlangs zat ik bij een vriendin in de auto, en men bracht Le Sacre op de radio. Amai, zegt ze, zo’n moderne muziek. Pas op, zeg ik, dat is 100 jaar oud (lacht). Maar wat ik eigenlijk wilde vertellen: Ik had onlangs nieuwe sandalen gekocht en er zat een gespje los. Iedere keer als ik een stap zette, ging dat van ‘kling, kling,…’ Wel, elke keer dacht ik er meteen bij: ‘taradadaam, taradadaam,…’ (citeert een passage uit Le Sacre – RT). Uiteindelijk kon ik het niet meer uithouden en heb ik er een papiertje tussen gestoken (lacht).”

 

U heeft het waarschijnlijk al vaker gehoord en ik wil u niet vleien, maar decennialang was de belangrijkste vraag voor een concert met barokorkest of u hobo zou spelen of iemand anders. Het is nu een beetje beter – er is allicht wat meer school gemaakt – maar u leek toen de enige die hem echt mooi en makkelijk kon laten klinken. Wat is er zo moeilijk aan barokhobo spelen?

MP: “De ziel van de hobo is het riet. En ik heb een bepaald idee over hoe een riet moet klinken. Ik snij die rieten zelf, zoals veel hoboïsten. En eerlijk gezegd: mijn rieten zijn niet zo gemakkelijk. Veel collega’s reageren verbaasd als ze een riet van mij proberen: amai, wat een zwaar riet (hoe dikker een riet blijft, hoe moeilijker uiteraard om het tussen je lippen te laten trillen – RT). Maar ja, als je een diepe, ronde klank wilt, dan heb je weinig keuze. Het heeft ook veel met stem en tongval te maken. Onlangs nog was ik in Amerika voor een masterclass. Ik moest daar een inleiding geven over barokhobo. Ik vroeg of er vragen waren. En meisje begon te spreken en ik dacht eerst dat Donald Duck in de zaal zat (geeft een verdienstelijke impressie van een typisch Amerikaans accent, met veel nasale ‘twang’ – RT). Wel, later op de dag hoorde ik haar spelen en dat klonk precies zoals ze sprak. Luister naar een Engelse brassband en naar een Amerikaanse. Die Amerikaanse zal scherper klinken en ik vermoed echt dat dit met de taal te maken heeft. Mijn eigen taal en stem zijn zacht, en dat hangt samen met hoe ik klink als ik hobo speel.”

 

Heeft u in het algemeen de neiging om de dingen zo holistisch te zien?

MP: “Ik denk van wel. Ik zie de hobo alleszins als het verlengde van mijn lichaam. Ik kan niet zingen, dus heb ik een prothese nodig. Waarom dat in mijn geval een hobo geworden is, dat weet ik eigenlijk niet.”

 

Ik vermoed niet dat u een datumfetisjist of een samensteller van toplijstjes bent, maar niettemin: herinnert u zich een moment met Il Gardellino dat door alle leden werd aangevoeld als speciaal, of zelfs in zekere zin volmaakt?

MP: “Ik denk inderdaad niet op die manier. Je kan zeggen: wow, 25 jaar is niet niks. Nee, natuurlijk niet, maar anderzijds: die jaren zijn gepasseerd, wij hebben ons geamuseerd, klaar. Ik herinner me geen echte spanningen in de groep. We hebben nooit gedacht: het is tijd om te splitten (lacht). Voor een concert geeft iedereen zich. Soms draait dat wat minder goed uit dan anders. Maar ik heb mooie herinneringen, meer valt er echt niet over te zeggen.”

 

Nooit van het podium gekomen, mekaar aangekeken en beseft: dichter bij vliegen komen we nooit?

MP: “Toch wel. Maar kijk, wij repeteren natuurlijk wel, maar niet zoals Duitsers dat plegen te doen. Wij hebben geen waslijst aan afspraken. We laten veel aan het toeval over. Uiteraard gebeurt het, dat tijdens een concert één van ons iets speciaals doet wanneer hij het woord heeft, en dat je dan voelt dat iedereen in de groep dat oppikt en er zelf iets mee doet. Dat zijn van die muzikantendingen, en natuurlijk geeft dat een ongelooflijke voldoening. Maar dat heet musiceren. We zijn, van het podium komend, nooit tegen mekaar uitgevallen van ‘we hadden daar piano afgesproken en je hebt forte gespeeld!’ (lacht). Er is een verstandhouding tussen muzikanten die, als je erin slaagt ze op te wekken, een soort elektriciteit teweegbrengt die ook op de luisteraars afstraalt. ‘Amai, jullie amuseren je nogal!’ Jazeker, dat is namelijk het hele idee.”

 

Marcel Ponseele c Michiel Hendryckx

 

Zelfs onder de pioniers van de barokbeweging zie je een breuklijn tussen de puristen – Sigiswald Kuijken, wijlen Gustav Leonhardt,… - en evengoed grote muzikanten die wat meer de oecumene met stilistisch andersdenkenden nastreven – Harnoncourt, Herreweghe. Waar bevindt u zich in dat spectrum?

MP: “In elk geval wil ik niet tot de puristische beweging behoren. Ik ben zo begonnen en het was fantastisch om in de beginjaren met Sigiswald te werken. Maar zo fanatiek zijn dat je denkt de waarheid in pacht hebben… Jazeker vind ik het interessant om te weten wat er in de historische traktaten staat. Maar uiteindelijk moeten we die muziek nú helpen verklanken. Het streven naar volledige historische exactheid – op zich al aan discussie onderhevig – staat soms in de weg van aspecten die evengoed inherent zijn aan het musiceren. Niks tegen ‘historically informed performance’ uiteraard, maar op zich betekent het niks.”

 

Spreken met Leonhardt was voor mij confronterend: een man die ik als uitvoerder haast verafgoodde, maar vanuit zo’n principiële kadaverdiscipline sprak dat het sinister werd.

MP: “Ik heb hem anders gekend, maar bon.”

 

De vragen zijn niet min. Is een muziekstuk onaantastbaar? Is het ongespeeld nog steeds zichzelf, meesterwerk of niet? Is het uitvoeren niet altijd interageren en dus contamineren?

MP: “Het muziekwerk als gesloten boek, dat is een haast belachelijk idee. Overigens heb ik met Leonhardt eens een nogal harde aanvaring gehad. We deden een suite van Telemann, La Bergère heette ze, iets pastoraals met uiteraard een hobo erin. Ik deed mijn best, maar hij deed ons stoppen: ‘Te mooi’. Ik zeg ‘oké, maar wat wilt u dan precies?’. ‘Korter’. Goed, we spelen opnieuw. Hij slaat opnieuw af: ‘Te mooi’. Dat ging zo door en op een gegeven moment zeg ik: ‘Excuseer, mijnheer Leonhardt, maar voor mij is dit geen herderinnetje met schapen meer, maar eentje met kippen.’ Maar God mag je natuurlijk niet tegenspreken. Hij hief zijn kin en zei: ‘Terug vanaf het begin.’ Discussie gesloten (lacht).”

 

Paul Vandenberghe, stichtend lid van het Collegium Vocale, vertelde me ooit hoe in de beginjaren barokconcerten veel meer iets van een missie hadden dan nu: men zong de ziel uit zijn lijf. Mist u – die toch de concertervaringen met Herreweghe als topmomenten omschrijft – die strijd, nu hij gestreden is?

MP: “Dat nieuwe verhaal vertellen, die nieuwe wind laten waaien, dat is inderdaad met niks te vergelijken. Het publiek was destijds ook veel geïnteresseerder: het kwam na het concert naar de instrumenten kijken en zo. Eerlijk gezegd: dat publiek is eigenlijk niet spectaculair veranderd. Af en toe krijg je een overlijdensbericht. Het verjongt niet echt.”

 

En ik die dacht dat het precies met de oude muziek, de jarenlange sterkhouder, nog wel meeviel.

MP: “Nee, ik heb niet die indruk. Na de jaren negentig, toen het publiek het definitief normaal vond dat barok op oude instrumenten werd gespeeld, is die dynamiek toch heel wat minder geworden.”

 

Hoe is het idee ontstaan voor het project dat Il Gardellino dit jaar op MA-Festival brengen?

MP: “Het is eigenlijk een laureatenconcert. Jan De Winne is een laureaat van de wedstrijd van het festival, ikzelf was ooit de eerste hoboïst die eraan deelgenomen heeft. We hebben zo tien laureaten samengebracht van verschillende edities en een programma samengesteld met concerto’s van Vivaldi, Telemann en Bach – onder meer zijn concerto voor drie klavecimbels.”

 

En dat ter ere van die speciale dubbelverjaardag: 25 jaar Il Gardellino en 50 jaar Musica Antiqua, alias MA-Festival?

MP: “Ik heb in elk geval geen idee of de vraag van het festival daar iets mee te maken had.”

 

U doet niet aan verjaardagen: één grote vlek van musiceren, en meer moet dat niet zijn?

MP: “Inderdaad, ja.”

 

Is er nog muziek die u graag eens zou spelen, maar waartoe u nog geen organisator bereid hebt gevonden?

MP: “Niet speciaal, nee. Maar ik wil hier wel onthullen dat ik graag eens Das Lied von der Erde van Mahler zou spelen. Vooral dan het laatste lied, Der Abschied.”

 

Opnieuw in een anachronistisch barokarrangement zoals u er een heel mooi hebt gemaakt en hebt opgenomen, van Mahlers lied Ich bin der Welt abhanden gekommen?

MP: “Nee, niet noodzakelijk, want dat was wel een vrij speciaal verhaal. We namen destijds Bach op voor Accent en ik wilde daar een beetje tango van Piazolla bijzetten. De zaakvoerder weigerde: zijn publiek was barok-minded. Ik zei: het zal toch moeten, want anders duurt uw plaat niet lang genoeg (lacht). Uiteindelijk was het in orde, als ik er een tekstje bij schreef. Dus schreef ik hoe ik die plaat had gemaakt als dank aan mijn vader, die me de bewuste sinfonia’s ooit op vinylplaat had cadeau gegeven – plus een woordje over mijn keuze voor Piazolla. We hebben nooit een plaat gemaakt die beter is verkocht. Even later maakten we terug een Bach-plaat. Ik wilde haar ‘Arrangements’ noemen, want het ging om hoboconcerto’s die eigenlijk 20ste-eeuwse bewerkingen zijn van orgelwerken van Bach. Heel leuk, maar loodzwaar: als je die in concert speelt, val je dood. Dat vond men bij het label natuurlijk een te negatief verhaal, en ze vroegen of ik niet opnieuw voor een ‘bonustrack’ kon zorgen. Dat werd dan Ich bin der Welt abhanden gekommen – ook een arrangement. Tenminste: ik vermoed dat Mahler nooit een oboe da caccia heeft gezien.

En of ik toch geen tekstje kon schrijven, zoals de vorige keer? Ik stuurde een mailtje terug waarin ik schreef dat ik dat niet nodig vond, maar dat het me wel nuttig leek een vertaling van de tekst van het oorspronkelijke lied erbij af te drukken. Wat heeft de uitgever gedaan? In het cd-boekje gezet dat ‘Herr Ponseele er op stond, bij deze muziek geen toelichting te verschaffen en alleen de tekst van het lied af te drukken.’ Terwijl ik simpelweg wilde dat de mensen zouden weten wat er in dat lied staat. Zoals u weet, is 2000 jaar humor in Duitsland het dunste boekje ter wereld (lacht).”

 

Geeft u les?

MP: “Neen, niet meer. Ik heb een aantal jaren in Parijs lesgegeven. Ik had daar goede studenten, dus in dat opzicht was het wel bevredigend. Mensen met een mooie klank, die ik toch wel iets heb kunnen meegeven. Maar ik had daar het statuut van een assistent, met maar liefst dertien studenten op zes uur per week, heel slecht betaald dan nog, geen enkele tegemoetkoming voor onkosten. Maar allez, je geeft dan wel les aan het Conservatoire National Supérieur. Nadat ik mijn ontslag heb gegeven, hebben ze wel een examen ingericht voor een hoofddocent barokhobo. Maar ik was intussen persona non grata. Ik had ontslag genomen in september, luttele weken voor het schooljaar van start ging, en dat zat de directeur duidelijk hoog.”

 

U lijkt me iemand die als leraar minder over techniek dan over muziek spreekt. Wat zou u het centrale idee noemen van wat u als leraar uw studenten wilt meegeven?

MP: “Je moet de tijdsgeest voelen van de muziek die je speelt en je mag nooit vergeten dat je een verhaal vertelt. Als een leerling speelt, zal ik hem zeggen: ‘Ik begrijp je niet. Wat wil je me vertellen? Waar denk je aan? Welke kleur zie je?’ Ik herinner me een Duitse die bij me op les kwam. Ze speelde een aria uit een Bach-cantate en ik vroeg haar: begrijp jij Duits? Ze was verbaasd, maar ik zei: ik heb nochtans het gevoel van niet. Waaraan denk je als je dit speelt? ‘Intonatie’, antwoordde dat meisje! Ik ben de klas uitgelopen, ik denk zelfs dat ik met de deur gesmakt heb. Na een hele tijd ben ik weer binnen gekomen. Ze had meteen een verhaal om te vertellen (lacht).”