“Ik ga snel aan de dingen ten onder”

Bernard Dewulf en zijn Kleine dagen
Theater

En toen gingen de letters leven. Kleine dagen, het met de Libris Literatuur Prijs en De Inktaap bekroonde boek van de dichter en essayist Bernard Dewulf, is nu ook een voorstelling. Geen theater, wel een ontwapenende lezing over de meest breekbare dingen des levens die gebeiteld werden in taal. 

Sarah Vankersschaever

 

“Ik ben verwonderd wanneer mensen met volle overtuiging een stelling innemen tijdens een interview. Je kunt toch nooit helemaal zeker zijn en zeker blijven van je antwoorden?”

Het sneeuwt, Vlaanderen bestaat uit stilstaande auto's en Bernard Dewulf (°1960) verwerpt in zijn keuken in Antwerpen de illusie dat zijn antwoorden eeuwigheidswaarde hebben. Best vreemd om te horen van een man die het al een leven lang gewoon is om zijn woorden zwart op wit op papier te zetten. En daar vervolgens literaire prijzen mee wint.

Maar hoe zeker hij ook is van zijn taal, zeker van zijn stuk is hij niet. En die melancholische twijfel is meteen ook wat behalve de mens ook zijn werk siert.

 

De voorstelling Kleine dagen breng je enkel voor volwassenen. Heeft dat iets met die twijfel te maken?

 

“Ik vermoed dat het boek te moeilijk is voor kinderen en tieners. Hoe toegankelijk het ook lijkt, het is toch net iets meer dan een bundel verhaaltjes. Er zit beeldspraak in en net zoals veel volwassenen moeite hebben met poëzie, denk ik dat kinderen de taal moeilijk zullen vatten. Hetzelfde met de toon die filosofisch-melancholisch is. Ik denk niet dat kinderen daar iets aan hebben.”

 

Lezen je kinderen je boeken en bundels, die tenslotte vaak over hen gaan?

 

“Neen en dat vind ik fantastisch. Ik vind het heel goed dat ze daar niet mee bezig zijn want ik zou niet over hen kunnen schrijven mochten ze zich daar heel erg van bewust zijn. Ik zou het daarentegen wel jammer vinden mochten ze mijn teksten nooit lezen, zelfs niet op hun dertigste of veertigste. Maar dat zal ik waarschijnlijk niet meer meemaken. Dan zullen ze trouwens merken dat hun vader ook heel wat uit zijn duim heeft gezogen.”

 

Is het boek Kleine dagen uit het leven gegrepen of dan toch vooral uit de duim gezogen?

 

“Alle aanleidingen zijn waargebeurd maar als je een verhaal schrijft gaan de feiten uiteindelijk toch een eigen leven leiden. Je maakt er literatuur van. Want het dagelijkse leven is zelden zo mooi afgerond als de stukjes die ik schrijf. En als je die stukjes na elkaar las, zou je denken: dat zijn nogal kinderen. Maar ik maak natuurlijk een constructie van de werkelijkheid. Hier en daar maak ik in het boek duidelijk dat ik me daar als schrijver bewust van ben. En dat het natuurlijk om de taal draait. De kinderen hebben mij de taal bezorgd.”

 

Er is geen enkel interview met je gezin terug te vinden. Bescherm je hen?

 

“Uiteraard en om evidente redenen. Het is hun privacy. De aanleiding voor Kleine dagen zijn het gezin en de kinderen. Al schrijvend geef ik veel over hen bloot.”

 

Op het podium geef je nu ook jezelf bloot. Voel je je daar comfortabel bij?

 

“Ik voel me het best als schrijver. En op het podium wordt dat dan een schrijver die leest. Maar het zal geen theater worden: ik zal niet de papa of de schrijver spelen. Het is een lezing in een theatrale context. Ik lees en ik laat beelden zien: beelden die ik gevonden heb en die ofwel aansluiten, ofwel wrijven tegen wat ik voorlees. Ik heb daarvoor ook twee kunstenaars aangesproken: de jonge Antwerpse videokunstenares Ilke De Vries die met dezelfde dingen als ik bezig is: geheugen en vergankelijkheid. En dan is er de tekenaar Marc Raes die digitale tekeningen maakt, voornamelijk rond erotiek.”

 

De regisseuse Julie Van den Berghe is je coach. Heeft ze van de schrijver in de kamer een verteller op een podium kunnen maken?

 

“Laten we duidelijk zijn: er zit geen podiumbeest in mij (lacht). Onlangs was er een doorloop waarbij ik een beetje probeerde te bewegen op de scène. Dat bewegen betekende dat ik van de ene stoel naar de andere moest lopen. Maar ik kon het niet. Ik zou er duizend keer op moeten oefenen voor ik op een podium kan wandelen of stappen. Ik vind dat trouwens boeiend: waarom kunnen acteurs geloofwaardig over een podium lopen? En ik, die geen acteur ben en elke dag zonder het te beseffen kilometers afleg, niet?”

 

Je was schrijver van de theatervoorstelling Een Lolita. Heb je daar een antwoord op die vraag gevonden?

 

“Daar heb ik veel geleerd over de codes van het theater, ja. Zo hebben we veel geëxperimenteerd met de mate waarin de acteurs zich al dan niet tot het publiek zouden richten. Wat ze vertellen zijn namelijk gedachten en gedachten communiceer je niet, ze vormen zich in je hoofd. Maar die afstandelijke aanpak werkte niet. Dus hebben we heel lang gerepeteerd tot de acteurs erin slaagden om zich wel tot het publiek te richten, maar op zo'n manier dat iedereen begreep dat het om gedachten ging. Dat was heel moeilijk.”

 

 

Uit de gedachten die je in Kleine dagen neerschrijft, spreekt veel kwetsbaarheid. Benaderen mensen jou daardoor soms als een porseleinen man?

 

“Soms wel, maar ik heb daar geen last van. Ik schrijf zoals ik gebekt ben. Sommige mensen noemen het behalve precieus of breekbaar ook vrouwelijk. Mensen zeggen me soms ook dat er zo weinig vuile luiers in het boek voorkomen. Maar dat heeft met de ontstaansgeschiedenis van Kleine dagen te maken. Je kunt gewoon niet zomaar alle vuile was van je kinderen buiten hangen. Natuurlijk heb ik het af en toe over hun nukkigheid en hun kleine afwijkingen maar dat past in een groter geheel. De vader in mij verbiedt de schrijver in mij om hen schade te berokkenen.”

 

Hoe is die opmerkzaamheid voor het kleine er gekomen?

 

“Dat is mijn natuur, vrees ik. In mijn jongste boek Verstrooiingen heb ik een passage aan dat 'kleine' gewijd. Of eerder: aan dat eeuwige tegenover elkaar stellen van kleine en grote gevoelens. Om eerlijk te zijn begrijp ik dat onderscheid niet goed. Als de geboorte van een kind iets kleins is, dan weet ik niet wat het grote is. De wereldgeschiedenis? De teksten van Shakespeare? Ik blijf me erover verbazen dat mensen die opdeling maken. Blijkbaar hebben we daar behoefte aan.”

 

Je bent op je achttiende, vlak na de dood van je moeder, een jaar naar Amerika getrokken in het kader van een uitwisselingsproject. Was dat een jaar van grote gevoelens?

 

“Het was veeleer een jaar van uitvergrote gevoelens. Die uitwisseling is een enclave in mijn leven. Alsof ik een jaar uit mijn eigen leven ben gestapt. Gelukkig ben ik er goed opgevangen in een schitterend gezin en in een fantastische school. Nu, wat nog intenser was, waren de vijftien maanden nadat ik terugkwam. Ik moest mijn legerdienst doen maar als gewetensbezwaarder mocht ik in een bejaardentehuis werken. Dat heeft mij nog het meest gevormd. Ik ben zelfs geneigd om te zeggen: laat iedereen maar zoiets doen. Je zingt een toontje lager omdat het zo confronterend is. “Loopt het echt zo af?”, vroeg ik mezelf elke dag af. “Ja, zo loopt het dus af”, zag ik elke dag. “Hier en zo ga ik eindigen”. Ik heb dan ook niet de ambitie om ontzettend oud te worden.”

 

En toch noopt dat besef jou niet tot snelheid. Je hebt meermaals de zin van het lummelen benadrukt in interviews.

 

“Dat lummelen is schijnbaar niets doen maar ondertussen gebeurt er wel heel veel. Het is vooral een manier om plaats te maken hierboven (wijst naar zijn hoofd) voor de taal, de verbeelding en de verwondering. Dat is nodig als je creatief bezig bent. Zeker als je je buigt over onderwerpen zoals het gezin, waarbij de clichés in het rond vliegen. Die clichés moeten eruit en daar kan naar buiten kijken bij helpen. Of lezen in woordenboeken in mijn geval. Taal is in dat opzicht mijn grote redding. Het houdt me weg van de gemeenplaats.”

 

Erger je je dan aan de gemeenplaats?

 

“Ik erger me vaak aan mensen die een talige pretentie hebben maar niet doorhebben in wat voor ongelooflijke clichés ze praten. Misschien zit er vooral teleurstelling in die ergernis. Want talen zijn zo hardnekkig en een talige gemeenschap zit soms muurvast. Het heeft geen zin om je tegen bepaalde uitdrukkingen te verzetten. Hoewel ik daar ondertussen ergens ook wel de schoonheid van zie. Vooral in de manier waarop jongeren dan creatief met bepaalde platitudes aan de slag gaan. Hun taal is wel nog in beweging.”

 

Onlangs ergerde je je in het Weekblad van De Standaard aan de politieke gemeenplaats. Aan Bart De Wever, om precies te zijn.

 

“Die column schijnt heel hard de ronde te hebben gedaan op Facebook. Ik ben ook stadsdichter van Antwerpen en ik kreeg de vraag of ik zoiets wel kon maken. Natuurlijk wel, het is juist mijn plicht, heb ik geantwoord. Ik heb het in die stukjes immers niet over een politiek idee maar over een mensbeeld. Ik heb het over het feit dat ik het niet pik hoe ik als burger in Antwerpen en als mens word aangesproken. Als Bart De Wever zegt dat iedereen alleen maar met zijn portemonnee bezig is dan spreekt daar voor mij een mensbeeld uit waarmee ik niet vereenzelvigd wil worden.”

 

Naar aanleiding van de heisa rond het De Coninckplein in Antwerpen fulmineerde De Wever ook tegen de cultuursector.

 

“Ach, het is van een miezerigheid allemaal... Tom Lanoye heeft als tegenreactie een opiniestuk geschreven en daarin stelt hij terechte vragen aan De Wever: “En waar zijn jullie verlichte geesten dan? Als wij een culturele elite zijn die alleen maar met zichzelf bezig is, waar zijn jullie Anton van Wilderodes dan?” Dat is pijnlijk want ze zijn er niet niet. (stilte) Het gaat alleen maar erger worden, vrees ik. Er wordt steeds meer gepolariseerd in onze samenleving en dat ligt mij niet.”

 

Je schrijft over politiek, beeldende kunst, literatuur, poëzie,... Waarin beschouw je jezelf als een kenner?

 

“In niets. Ik heb altijd vanuit de marge geschreven, vanuit een soort verwondering. Ik heb me bijvoorbeeld altijd goed geïnformeerd over kunst maar ik ben geen kunsthistoricus.”

 

Hoe kom je er bij om een boek als Verstrooiingen te schrijven, met impressies over beeldende kunst?

 

“Zoals wel meer mensen heb ik een grote belangstelling voor kunst en op een bepaald moment wilde ik het wel eens proberen om erover te schrijven. Maar niet op de kunstkritische manier zoals veel recensenten het doen. Ik wilde schrijven vanuit de eerste verwondering. Zo herinner ik me nog de allereerste tentoonstelling van Luc Tuymans. Hij was toen nog niet zo bekend en ik had nog niets over hem gehoord. Ik werd weggeblazen door wat ik van hem zag. Maar goed, ondertussen heb ik veel tentoonstellingen gezien en het is onvermijdelijk dat die verwondering door die veelheid wordt aangetast.”

 

Is ze nog mogelijk, de verwondering?

“Misschien. Maar ik merk dat ik aan die tien kunstenaars, waaronder Luc Tuymans, Thierry De Cordier en Raoul De Keyser, dat ik daar misschien voor de rest van mijn leven genoeg aan heb. En natuurlijk wil ik nog nieuwe dingen ontdekken maar de intensiteit waarmee ik deze mensen heb leren kennen? Ik weet niet of dat nog terugkomt.”

 

Ben je snel verzadigd?

 

“Neen, maar doorgaans verloopt zo'n ontdekkingsproces wel via een vast patroon. Ik kan heel intens en obsessief met iets bezig zijn. En heb ik iets of iemand eenmaal 'geïnterioriseerd' en heb ik erover geschreven, dan overvalt me een soort rust. Ik heb dat onlangs gehad met de schrijver en dichter Richard Yates. Dan koop ik alles van hem: monografieën, boeken,... Als die obsessie dan verorberd is, volgt een periode van leegte waarin ik niets meer wil lezen of ontdekken. Maar gelukkig gaat ook die periode weer over.”

 

Wat hebben al die obsessies met elkaar gemeen?

 

“Dat ze me raken. De enige reden dat ik met kunst bezig ben, is omdat het mij iets doet en omdat het mij helpt in mijn leven. Het moet een verschil maken in mijn bestaan, vaak doordat een kunstenaar me een onuitwisbare, nieuwe blik geeft op de dingen. Ik zou dan ook geen kunstcriticus willen zijn want ik wil niet schrijven over dingen die mij in wezen niet raken. Verder bieden al die kunstenaars mij een ‘schijn van oplossing’. Ze geven elk op hun manier een antwoord op de zinloosheid van het bestaan. Ik ben die mensen heel erg dankbaar.”

 

Wanneer je in Kleine dagen over het gezin schrijft, bekijk je het dagelijkse leven dan ook niet met de blik van een recensent? Eeuwig opmerkzaam en analyserend...

 

“Ja, maar met dat verschil dat ik geen oordeel hoef te vellen. Het gaat in de eerste plaats om de transformatie in taal. Om de bezwering.”

 

Wat bezweer je precies?

 

“Ik ga snel aan de dingen ten onder. Ik ben vrij melancholisch van aard en sta ook vrij angstig in de wereld. De taal is daarbij mijn verweermiddel. Taal helpt mij om daarover heen te komen en het leven te bezweren. En om, wat er van het leven te begrijpen valt, op zo'n manier te verwoorden dat het voor mij begrijpelijker en helderder wordt. De schaduwkant is dan weer dat je je eigen formuleringen gaat geloven. Dat is ook het slot van de voorstelling Kleine dagen: ik zal een korte tekst voorlezen die geïnspireerd is op het boek van de Nederlandse geheugenprofessor Douwe Draaisma. In Vergeetboek legt de man uit hoe herinneringen een voortdurende herschrijving van het verleden zijn. Niemand, maar dan ook niemand, herinnert zich écht de feiten. Het geheugen maakt er namelijk onmiddellijk iets anders van, vaak iets mooiers. En zo gaat het ook met schrijvers: ze schrijven dingen op om ze niet te vergeten. Maar ze maken er literatuur van en daardoor kleuren ze de werkelijkheid. Maar later herinneren ze zich enkel nog wat ze neerschreven en niet de ongekleurde feiten.”

 

Wat moeten mensen onthouden van Kleine dagen?

 

“In de eerste plaats de taal. Ik denk dat als het boek hen raakt, dit vooral met de taal te maken heeft. Dat ik de dingen die we allemaal meemaken op een nieuwe manier formuleer. Mijn blik is niet bijzonder, mijn ervaringen ook niet maar hopelijk wel mijn taal. In het begin van het boek staat bijvoorbeeld een stukje over mijn dochter. Ik weet nog dat ik wilde schrijven over haar vijfde verjaardag en god, dat het zo snel was gegaan. Hoe druk je dit uit in een enkele zin? “Eén-twee-drie is ze vijf geworden.” De mensen die deze zin lezen, voelen die snelheid, denk ik. Al is het maar in de ‘vier’ die achterwege blijft. Verder heb ik geen boodschap over te dragen. Mensen mogen van het boek en de voorstelling hun eigen herinneringen maken. Al dan niet gekleurd.”

 

Het boek Kleine dagen van Bernard Dewulf verscheen in 2009 bij Uitgeverij Atlas. 192 blz., ISBN 9789045015798, € 12,50.

 

De voorstelling Kleine dagen (NTGent en Het Paleis) reist nog tot begin mei 2013 door Vlaanderen. Voor info en speeldata:

www.ntgent.be

www.hetpaleis.be