“Ik kan nergens leven dan elders”

Ilja Leonard Pfeijffer
Literatuur

In het superbe La Superba vertelt Ilja Leonard Pfeijffer over de mooie stad Genua en over mooie meisjes. Maar de geile idylle vertoont scheurtjes. 

Mark Cloostermans

 

Eén van de boeken die ik nooit naar De Slegte zal brengen, is Het grote baggerboek. In dit hilarische stijlexperiment uit 2004 vertelde de Nederlandse dichter Ilja Leonard Pfeiffer (I.L.P.) het verhaal van een baggeraar die tijdens “sjorlief” (shore-leave) in één of ander “Kamelenkuttistan” in serieuze problemen verzeilt. De schuttingtaal die de ‘held’ gebruikt, is een intens verbasterde vorm van Nederlands. “Het is dat ik mijn snorkel nog even had uitgeschud op hoermans het piemelinnetje met d’r fijne prostitutiepik anders was het helemaal een mooie kutzooi geweest want daar stond ik lelijk retever van het klokje thuis”, verzucht hij ergens, en als u eenmaal aan dit ‘taaltje’ gewend bent, is het perfect begrijpelijk.

I.L.P. is een groot stilist. Maar de laatste jaren deed hij weinig met dat talent. Een boekje over het online-fenomeen Second Life. Een bundeltje ultrakorte verhalen. Een fietsreisverslag. Liflafjes allemaal.

Met La Superba heeft I.L.P. zijn eerste echt grootse roman afgeleverd.

 

 

God in Genua

 

De held van deze geschiedenis, Ilja Leonard Pfeijffer himself, is in zijn thuisland een gevierd, op handen gedragen, nog net niet verafgood schrijver. Interviewers overvallen hem op café, collega-schrijvers willen aan zijn tafeltje zitten, jonge meisjes bieden zich aan ter betasting.

En daar eindigt het niet, o nee! “In het vaderland hoefde ik maar een kik te geven of de wethouder belde mij terug. En de staatssecretaris kon zich in zulke gevallen meestal ook niet onbetuigd laten. En daarna belde de burgemeester of de minister nog voor alle zekerheid om te informeren of alles naar mijn wens geregeld was en om er zeker van te zijn dat ik er geen stekelig krantenstukje over zou schrijven.” Wie Harry Mulisch al een zelfingenomen kwal vond, kan hier maar beter verstek laten gaan: I.L.P. kan er ook wat van!

Niettemin, verveeld door dat land waarin alles hem te makkelijk afgaat, besluit I.L.P. te emigreren. Naar Genua, een Italiaanse stad waarvan vooral het groezelige deel (met hoeren en messentrekkers en labyrintische stegen) hem bevalt. I.L.P. wentelt zich in het mediterrane leven en in de taal. “De taal”, schrijft hij, doelend op het Italiaans, “is ook uitermate geschikt om gebruikt te worden om de godganse dag naar kinderen te schreeuwen dat ze niet mogen doen wat ze ook maar aan het doen zijn en om te zeggen dat het zo genoeg is. (...) Het is een taal die herrie maakt en dat is het enige wat telt, zoals kinderen blij zijn, wekenlang blij zijn, tot vervelens toe lang blij zijn met een rammelaar.”

Op tijd en stond schrijft Pfeijffer brieven aan een niet-nadergenoemde vriend in Nederland. Deze brieven en notities zal hij later wel uitwerken tot een roman, lezen we; hij wijst alvast enkele mogelijke verhaallijnen en thema’s aan, denkt luidop na over de metaforen die hij zal hanteren en hun velerlei betekenissen.

Let wel: dit is geen boek over een schrijver die er niet in slaagt te schrijven. Nee zeg, met dat geconstipeerde gedoe zou ik u niet lastigvallen. I.L.P. viert juist de vrijheid van dit tussenstadium in zijn schrijverij: “zelfs mijn stijl wordt steeds wulpser en exhibitionistischer, als dat een woord is, merk je dat, dat moet ik allemaal in de juiste calvinistische banen leiden wanneer ik deze notities omwerk tot een roman, maar intussen geniet ik van de vrijheid om althans jou in oververhitte bewoordingen de waarheid te kunnen zeggen, de naakte waarheid, kunnen we wel zeggen”.

Overigens raakt die beschaafd-calvinistische roman nooit geschreven. La Superba is de optelsom van die brieven. Aan het einde vraagt I.L.P. zijn correspondent zelfs de brieven te vernietigen, maar sinds Max Brod weet elke schrijver dat dergelijke verzoeken nutteloos zijn.

Terug naar Genua. Het lijkt eerst een idylle, in dat mooie Italië met zijn horden mooie meisjes, maar niet alles gaat de schrijver van een leien dakje. Opeens ziet hij zichzelf opgescheept met een afgehakt vrouwenbeen. Als hij zich daarvan heeft weten te ontdoen, lijkt hij succes te hebben in de liefde, maar de cultuurkloof tussen hem en “het mooiste meisje van Genua” blijkt niet te overbruggen. I.L.P. laat zich vervolgens meesleuren in een plan om een theaterzaaltje te schaffen. Zijn pogingen om de immer beschonken Monia in te zetten als investeerder, eindigen in slapstick en kots. Erger, het theaterplan brengt I.L.P. in conflict met schimmige zakenlui en hun politieke connecties. Zijn geld raakt op, net nu hij het nodig heeft om een advocaat te betalen. En dan duikt ook dat vrouwenbeen weer op. Porca miseria!

 

 

Sierlijke zweepslag

 

La Superba wordt minder gedragen door plot dan door taal. I.L.P. omschrijft ergens zijn poëtica als het accentueren van de overdaad. Zijn stijl wordt gekenmerkt door een “grove sprezzatura”. Ik erken: dat woord kende ik niet. “Een zekere nonchalance, die de kunst verbergt en die ervoor zorgt dat alles wat men doet of zegt overkomt als zijnde moeiteloos en zonder voorbedachtheid”: ik citeer Wikipedia, dat op zijn beurt Baldassare Castigliones Il libro del cortegiano (Het boek van de hoveling, 1528) citeert.

Niettemin, was Het grote baggerboek louter taalexperiment, hier is taal de limousine waarin de lezer door het verhaal gevoerd wordt. In de eerste honderd bladzijden is La Superba vooral een ode aan (de schoonheid van) de vrouw. I.L.P.’s uitverkorene is een serveerster. Hij kan haar urenlang observeren: “Ze begint, vrees ik, echt een obsessie te worden. Ik krijg kippenvel als ik haar zie. Ze sliert voor mijn ogen als een gedicht in schoonschrift. Ze is als een sierlijke zweepslag in een art nouveau-ornament. Ik kan mijn ogen niet van haar afhouden.”

I.L.P. raakt bepaald opgewonden van zijn meisje, maar dat is volstrekt normaal, zegt hij: het is zomer in Genua en dan loopt de hele stad krols. In I.L.P.’s broeierige verbeelding is Genua een orgie in open lucht: “Ze doen alsof ze wandelen en kleren dragen. Maar onder die kleren zijn ze bij voortduring helemaal naakt. Ze raken zichzelf aan met hun handen terwijl ze doen alsof ze sleutels zoeken, een mobieltje of kleingeld. Hun dijen schuren zachtjes langs elkaar terwijl ze wandelen. Af en toe staat iemand zomaar ergens een tijdje stil, gelukkig, op zichzelf, als onder een hete douche.”

Een koude douche dringt zich hier op – en die krijgt de hoofdpersoon van La Superba wel degelijk, zodra het winter wordt. Maar ik wil u toch nog even laten genieten van I.L.P.’s beschrijving van de warmste zomerdagen. Op het randje van de porno, als u het mij vraagt. “De zeewind brengt zware zilte lucht, waardoor de mensen hijgen en kreunen. Het liefst zouden ze de laatste verstikkende kledingstukken ook nog uitdoen. Het is vochtig als in de verboden kelders van het geheime jachtslot van een perverse prins.”

De auteur laat zich gaan in beschouwingen over het theatrale gehalte van man-vrouw-verhoudingen. Volgens I.L.P. zijn vrouwen er zich bewust van, dat ze moeten streven naar een ideaalbeeld: “Elke ochtend maakt ze zich vrouw zoals ze denkt dat een vrouw eruitziet. Zoals ze denkt dat ik wil dat zij eruitziet. Het doet er niet toe of ze weet wat ik wil. Belangrijk is dat ze haar best doet te voldoen aan haar beeld van mijn beeld van haar.” Zoals de ‘verknoedelde’ zinnen zelf al suggereren: uit dit kluwen van beelden-van-beelden raakt niemand ooit wijs.

De schrijver deelt het ‘vrouwdom’ op in twee soorten. Hij doet dat meermaals in de roman – het grapje bevalt hem duidelijk – maar dit is de veelzeggendste: er zijn maar twee soorten meisjes, “die het spel spelen en begrijpen dat ze eerst een soort vrouw van zichzelf moeten maken om te worden toegelaten tot het spel, en zij die zich willens en wetens diskwalificeren uit het waanidee dat het om iets anders zou gaan dan het spel.”

 

 

Luxe-emigrant

 

Het ontbreekt in La Superba niet aan kleurrijke personages (I.L.P.’s vertaalster Inge, de waarzegster Fulvia, Monia...), maar twee nevenpersonages krijgen uitvoeriger aandacht, in twee ‘intermezzi’.

Het eerste van deze ingelaste vertellingen draagt de titel We all live in a yellow submarine en zoomt in op Don, een Engelsman, dronkenlap, onderdeel van de plaatselijke folklore. Hij is niet alleen een bodemloos vat, maar ook een vat vol sterke verhalen. In het tweede intermezzo, Fatou yo, wordt de toon ernstiger. De Senegalees Djiby is door zijn familie uitgekozen als de gelukkige die het mag gaan maken in Europa. Na een helse tocht (lees: mishandeling, uitbuiting, levensgevaar) is hij nu een straatarme rozenverkoper in Genua, die slaapt in een rottig flatje van een huisjesmelker. In feite had hij het beter in Senegal!

Dat laatste is een verhaal van alle tijden, stelt I.L.P. vast, als hij zich voor een toneeltekst inleest over de Italiaanse migratie naar de nieuwe wereld, “La Merica”: “Een van de dingen die mij opvielen, was dat veel Italianen die besloten om te emigreren, het eigenlijk helemaal niet zo slecht hadden. Natuurlijk, er was armoede en er waren nauwelijks wegen om daaraan te ontsnappen, maar ten minste hadden ze te eten en een dak boven hun hoofd.”

Mensen vertrekken omdat ze geloven in een land van melk en honing, en zitten dan vast in die ‘droom’. Terug kan niet, want in Italië dacht men dat een reis naar Amerika een enkeltje naar het succes was. Djiby kan, anno 2013, evenmin terug: in Afrika houdt men hardnekkig vast aan het sprookje dat je in Europa onmogelijk níet rijk kan worden. Wie aankomt in Italië, mag zich bij het loket vervoegen om de sleutels van zijn BMW op te halen – toch? Ik zou de eerste zijn, zegt Djiby tegen I.L.P.: “De eerste die het niet heeft gemaakt in Europa.”

Later in de roman, als I.L.P. zelf in de problemen raakt en moet overwegen om Genua te verlaten, laat hij een komische echo van Djiby’s uitspraak horen: “Ik zou de eerste zijn. Ik bedoel: ik ben een beroemd dichter in mijn vaderland, althans dat was ik. Te veel mensen weten dat ik met veel te veel bombarie ben geëmigreerd om mij te laven aan la dolce vita italiana. Ik werd en word erom benijd. Om met hangende pootjes terug te keren (...) zou een enorme nederlaag zijn. Ik zou de risee zijn van al mijn culturele vriendjes. Op een bepaalde manier ben ik verdwaald in mijn fantasie van een mooier, echter en romantischer leven elders.’

Schitterend, hoe I.L.P. hier zichzelf portretteert als de luxe-emigrant, die het lef heeft om zijn situatie te vergelijken met die van een echte migrant.

Maar die intermezzi zitten natuurlijk niet in het boek, louter en alleen om er later een grapje aan op te kunnen hangen. Ze rijmen met het hoofdverhaal. I.L.P. leeft zijn fantasie. Vooral als het over meisjes gaat, heeft hij meer voeling met zijn geëxalteerde verbeelding dan met de realiteit. En dat geldt voor wel meer personages. Het levensverhaal van de Britse dronkelap Don hangt aan elkaar van de verzinsels: hij is zijn eigen fantasie. En Djiby leeft in de Afrikaanse verbeelding van Europa. 

De plot van La Superba is in feite één lange spanningsboog van leven in de verbeelding naar leven in de realiteit, een evolutie van fantasie naar werkelijkheid. En de paradox is dat de scènes met het afgehakte been, aan het begin van de roman, geloofwaardiger aanvoelen dan de onthulling over hoe het been werd afgehakt, aan het eind van de roman. De realiteit haalt het natuurlijk nooit bij de droom. De bestemming haalt het nooit bij de verwachtingen vóór de reis, zodat de reiziger romantisch verzucht: “Ik kan nergens leven dan elders.”

 

 

De echte I.L.P.

 

“Ik had het nodig om mijzelf in een nieuw leven opnieuw te verzinnen”: met die woorden verklaart I.L.P. zijn emigratie naar Genua. Nadruk op verzinnen: hij blijft hoe dan ook leven in zijn verbeelding.

Opeens werd het me duidelijk waarom I.L.P. enkele jaren geleden dat boekje over Second Life schreef. Indertijd dacht ik dat hij gewoon snel wou cashen, maar het concept van Second Life (een verzonnen identiteit tot leven wekken in een compleet andere, virtuele wereld) sluit perfect aan bij I.L.P.’s thema’s. In Second Life. Verhalen en reportages uit een tweede leven (2007) was I.L.P. trouwens een vrouw, Lilith Lunardi. Ook dat ‘rijmt’ met La Superba: I.L.P.’s fascinatie voor het vrouwelijke lichaam gaat zo ver, dat hij vaak fascineert over zelf vrouw-zijn.

Een intrigerend probleem is: in welke mate is het echt gebeurd? Het is bekend dat I.L.P. tegenwoordig inderdaad in Italië woont. En de auteur zelf strooit ons doelbewust zand in de ogen. “Waarover ik mij soms zorgen maak, is dat sommige situaties waarin ik hier verzeild raak en veel van de personen die ik in werkelijkheid ontmoet in dit vervreemdend decor zo kleurrijk zijn, om niet te zeggen grotesk, dat ze het gevaar lopen als fictie nauwelijks geloofwaardig te zijn”, schrijft hij aan de onbekende bestemmeling van zijn brieven. Het zet een mens aan het twijfelen. In het bestaan van Monia kan ik makkelijk geloven. Maar het einde van de roman – ik zal het niet verklappen – is duidelijk verzonnen.

Dat einde, tja. Laten we zeggen dat I.L.P. erin slaagt om zijn toestel, na een lange en hoge vlucht, veilig weer aan de grond zetten. Een schoonheidsprijs zal hij voor die landing niet krijgen. De been-anekdote wordt ‘afgehandeld’, net als het verhaal van het mooiste meisje van Genua. Geloofwaardig is het allemaal niet.

Maar goed. Als je meer dan driehonderd bladzijden op hoog niveau speelt. Als je een tragikomische migratieroman aflevert. Als je de vinger legt op de blijvende impact van El Dorado-fantasieën... Ja, dan zien we die wankele finale door de vingers. Echte schoonheid heeft een vlekje nodig.

 

Ilja Leonard Pfeijffer, La Superba, De Arbeiderspers, 2013, 347 blz., ISBN: 9789029587273, € 19,95.

 

Van dezelfde auteur: Het grote baggerboek, De Arbeiderspers, 2004, 204 blz., € 17,95, ISBN: 9789029536738