“Met volle liefde en overgave”

Theatermakers Abke Haring en Benjamin Verdonck samen op scène
Theater

Ze staan heel verschillend op het podium. Zij strak en beheerst in futuristische decors. Hij met een bedrieglijke lichtheid, vrolijk dartelend tussen alledaagse voorwerpen. Maar Abke Haring en Benjamin Verdonck wilden elkaars wereld verkennen. Ze ontmoeten elkaar in Song#2. Lied voor twee.

Jozefien Van Beek

 

“Ik heb een aantal stukken van Abke gezien, waaronder Hout”, zegt Benjamin Verdonck. “Dat vond ik zo'n 'grave' voorstelling. Het deed mij iets. Ik snapte het niet, maar het fascineerde me. Heel vaak maak ik dingen alleen, dus ik had het verlangen om iemand te ontmoeten. Aangezien we allebei in het Toneelhuis werken, deed de vraag zich voor. Ik stond open voor avontuur, en ging er op in.”

 

Abke Haring: “We zijn verschillende mensen en hebben verschillende manieren van werken en spelen, maar we gingen er vanaf dag een met volle liefde en overgave voor. Eerst moesten we elkaars woordenschat leren kennen. Wat bedoelt hij precies met dàt woord? Na een tijdje voel je dat je het over hetzelfde hebt. Dan snap je elkaar. Voordat we begonnen te repeteren verzamelden we een gezamenlijke ideeënberg. Van daaruit vertrokken we.”

 

Voordat jullie precies wisten wat jullie zouden maken, lag de titel vast: Song#2.

 

Haring: “Ja. We wisten op voorhand wel dat we geen toneelstuk met een verhaal wilden maken. Het zou geen anekdotisch stuk met personages worden. Het moest meer een soort lied of concert worden. Dat idee kwam van Benjamin, want hij wilde heel graag zingen.”

 

Verdonck: “Abke wilde gedichten schrijven. Al snel kwamen we uit bij een concert. Wij zouden een aantal nummers brengen zoals een muziekgroep dat doet. Vandaar de titel: lied voor twee. Nadien wisten we dat we het over het leven wilden hebben. Levensliederen.”

 

Haring: “Het moest gaan over levensdrift, over het overweldigende gevoel dat je lèèft. Als puber voel je dat supersterk. Doorheen de jaren raak je dat een beetje kwijt, maar soms vind je het gelukkig terug. Bij dat gevoel hoort dans en muziek. Hoe dat er precies moest uitzien, daar hebben we hard naar gezocht.”

 

Verdonck: “Het is een oerverhaal geworden, geen rechtlijnig vertelsel met een bepaald verloop dat je maar op één manier kunt interpreteren. We beginnen met twee mensen die voor alles ‘dank u’ zeggen. Daarna gooien ze alles wat ze hebben weg. Enkel het lichaam blijft over. Die lichamen ontmoeten en consumeren elkaar.”

 

Haring: “Na die laatste dans benoemt Benjamin nog de dingen die we zijn tegengekomen. Hij rekent af met de herinneringen, vragen en onduidelijkheden om daarna door te gaan naar een volgende fase, 'the next level'.”

 

Hoe belangrijk is het dat mensen de voorstelling interpreteren zoals jullie ze bedoeld hebben?

 

Haring: “Het is heel fijn als mensen hun eigen associaties hebben bij wat ik maak. Dat is eigenlijk altijd mijn inzet. Als ze erin kunnen meegaan en er hun eigen gedachtenstroom bij hebben, ben ik daar erg blij mee.”

 

“Wat mensen in mijn voorstellingen zien, verbaast me elke keer. Maar dat is ook wel mooi. Dat doet mij meer dan een stuk maken dat van a tot z heel helder is en waar mensen zich tegenover plaatsen. Ik heb liever dat mensen in het stuk worden gezogen en denken: wat moet ik hiermee?”

 

Op Hout heb je wel erg extreme reacties gekregen.

 

Haring: “Ik weet dat mijn voorstellingen meestal zwaar zijn, maar ik wil het over menselijke relaties hebben. Dat blijkt gewoon een van de moeilijkste dingen te zijn in het leven. Dus als je daar iets over wil zeggen, krijg je vanzelf een complexe voorstelling. Ik denk nooit: laat ik er maar een vrolijke noot in brengen, anders loopt het publiek weg. Ik maak wat ik moet maken. Maar het is wel onze taak als makers om het publiek mee te nemen, zodat ze in hun hoofd nieuwe paden kunnen bewandelen. Zodat ze zich in een voorstelling durven laten gaan.”

 

Hout gaat over een groep mensen en hoe ze elkaar kunnen manipuleren. Hoe ver ga je? In Haarlem heeft iemand moeten kotsen. Daar ben ik niet trots op, hoor. (lacht) Die persoon strompelde de trap af en gaf naast het podium over. En in Rotterdam was er iemand die opstond en riep: hier is therapie voor! Terwijl wij eigenlijk helemaal niets heftigs deden.”

 

Jullie stopten acteur Louis van der Waal in een plastic zak.

 

Haring: “Er zaten gaatjes in die zak, dus hij kon nog ademen. We hebben lang naar een beeld gezocht dat er voor toeschouwers heel benauwend uitziet, maar dat we op de scène konden brengen zonder iemand echt pijn te doen.”

 

 

Soms lijkt je werk bij performance aan te leunen, een kunstvorm die oorspronkelijk uit de beeldende hoek komt en waarbij echtheid heel belangrijk is.

 

Haring: “Ik vind performance echt een gaaf medium, maar kom zelf uit een heel andere traditie. Theater is alles lekker 'faken'. In België hebben we een waanzinnig rijk theaterlandschap. Wat Miet Warlop maakt, hangt bijvoorbeeld ook tussen theater en performance in. Bij het werk van Benjamin is het ook niet altijd even duidelijk. Waar ligt de grens? Wat is een theatervoorstelling? Is Song#2 een theatervoorstelling of performance?”

 

Jullie presenteren het als een voorstelling. Het publiek blijft een uur op zijn stoeltje in de Bourla zitten, dus is het theater.

 

Haring: “Ja, maar als we Song#2 zouden brengen in een gang van een expositieruimte in Polen, dan was het misschien een performance. Een heel rare performance dan. (lacht)”

 

 

In maart 2011 schrijft Benjamin Verdonck een brief aan alle podiumkunstenorganisaties die structurele steun ontvangen onder het Kunstendecreet. Hij kondigt aan dat hij een nieuw kunstwerk wil maken: Handvest voor een actieve medewerking van de podiumkunsten aan een transitie naar rechtvaardige duurzaamheid. In dat Handvest somt Verdonck een aantal artikels op, waarvan hij hoopt dat de hele sector ze een half jaar lang “met zorg en naar best vermogen” zal volgen bij aanvang van het nieuwe theaterseizoen. De belangrijkste na te leven punten zijn de volgende. Alle ecoteams worden ontbonden. In plaats daarvan wordt er gemediteerd over de oorzaak van de ecologische crisis om zo het probleem in een ruimer maatschappelijk perspectief te plaatsen. Donderdag veggiedag wordt afgeschaft. Uitzondering wordt norm: niemand eet of serveert nog vlees, behalve op donderdag. De communicatie gebeurt nog uitsluitend in zwart-wit en op ongebleekt gerecycleerd papier. Werknemers gaan met het openbaar vervoer of de fiets naar het werk en vliegtuigen, die door hun gigantische uitstoot van broeikasgassen een buitensporige bedreiging voor ons klimaat vormen, worden volledig gemeden. Artiesten maken enkel nog voorstellingen zonder decor of met decor dat bestaat uit materiaal dat al in het bezit was van de organisatie én dat slechts zo groot is dat de productie op tournee kan gaan met het openbaar vervoer of de fiets.

 

 

In Song#2 gooien jullie alles in een shredder, van kleren tot gsm. Was het moeilijk om daarvoor te kiezen terwijl in september je Handvest startte?

 

Verdonck: “Toen de twee grote huizen waarvoor ik werk (KVS en Toneelhuis – JVB) lieten weten dat ze het Handvest niet zouden ondertekenen stond ik voor de vraag: ga ik het zelf volgen ondanks het feit dat bijna niemand meewerkt? Eigenlijk werk ik in mijn eigen praktijk al heel lang volgens het Handvest. Niet dat ik alle artikels letterlijk volg, maar toch zo veel mogelijk. Toen ik met het Handvest begon, dacht ik dat een hoop mensen het zouden onderteken. Mijn idee was om zelf iets helemaal anders te doen, iets dat die regels net niet volgt om zo aan te tonen dat je het klimaatprobleem op veel verschillende manieren kunt belichten. Ik heb bijvoorbeeld overwogen om het aantal liters kerosine dat ik de afgelopen jaren heb uitgespaard in één keer te verbranden om met die gigantische vlam aandacht te vragen voor het milieu. Het gaat mij eerder om het symbool dan om te zeggen: kijk eens hoe milieubewust ik ben.”

 

“Toen we aan deze voorstelling begonnen, was mijn eerste idee om een gigantisch decor te bouwen en dat volledig door de shredder te halen. Dat zou voor mij de problematiek langs een andere kant benaderen. Alles kapot maken. Er is een verhaal over twee koningen die elkaar proberen te overtroeven in rijkdom. Dat doen ze door dingen weg te gooien. De ene zegt: kijk, ik ben zo rijk dat ik mijn mooiste paard kan weggooien. De andere antwoordt door al zijn goud en slavinnen te dumpen. In de spilzucht willen ze hun rijkdom tonen. Dat was het idee. Maar naarmate de repetities vorderden, zijn we een andere richting uitgegaan.”

 

Een van de verschillen tussen jullie is de manier waarop jullie bewegen. Abke, in jouw voorstellingen zijn de lichamen van de acteurs altijd erg strak en gecontroleerd, bijna als robots. Terwijl Benjamin meer ontspannen op het podium staat.

 

Haring: “Daar hebben we het geregeld over gehad. Het was niet gemakkelijk, maar wel interessant om te onderzoeken. Moet ik ook gaan huppelen over de scène? Of moet Benjamin net heel stijf zijn? Bij het begin van de voorstelling staat hij strak naast me en daarna huppel ik met hem mee.”

 

“Mijn gecontroleerde bewegingen komen voort uit mijn fascinatie voor science fiction. Daar zit een soort strakheid in die me aantrekt. Tegelijk minimalistisch en over the top. Science fiction presenteert een nieuwe wereld vol strakke, rare decors en eigen regels en rituelen.”

 

“Beweging en dans interesseren mij enorm. Er staat volgens mij nog te veel een muur tussen spreken en bewegen op scène. Beweging leunt aan bij performance of dans, terwijl spreken theater is. Die grens interesseert me. Ik wil hem voor mezelf verleggen.”

 

Bij jullie allebei is de interesse voor kunst begonnen bij een bepaald werk. Benjamin, bij jou was het een object van Ben Vautier, een Franse Fluxuskunstenaar, dat de vonk deed overslaan.

 

Verdonck: “Onnozel maar waar: ik ben naar zijn tentoonstelling gaan kijken omdat hij dezelfde naam heeft als ik. Daar zag ik een zwart koffertje met een witte tekst op geschilderd: 'Si Dieu est partout il est aussi dans cette valise'. Ik begréép dat. Ik hou van zijn stijl omdat hij me het gevoel gaf dat ik het ook kon. Niet omdat het zo simpel was dat ik het zelf ook kan maken, maar omdat ik op dat moment begreep dat ook dat kunst is: over iets nadenken en je idee opschrijven. Voordien dacht ik dat kunst de Kruisafneming van Rubens was. Kerken en goud. Kunst als ambacht.”

 

“Maar mijn àllereerste kunstervaring was de voorstelling De Man van Koekenbrood in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen. Mensen in gigantische kostuums speelden een theepot, een koffiekan en een suikerpot. Op een bepaald moment in de voorstelling komt er een mens voorbij, in verhouding met die potjes nog véél groter. Je zag dus alleen de benen voorbijkomen over het podium. Dat maakte veel indruk op mij.”

 

Wanneer wist je dat je zelf iets wilde maken?

 

Verdonck: “Toen ik op de middelbare school zat, wist ik al dat ik kunstenaar wilde worden. Mijn vader was een goede knutselaar. Hij was altijd bezig met dingen repareren in het huis. Ik schilderde bijvoorbeeld de sofa paars en vond dat een fantastisch werk. (lacht)”

 

Overal waar je komt, raap je allerlei dingen op, van kapotte voetballen tot propjes zilverpapier. Was je als tiener ook al dingen aan het verzamelen?

 

Verdonck: “Ja. Lange tijd heb ik alles bijgehouden waarvan ik dacht dat ik het ooit als kunstenaar zou kunnen gebruiken. Vreemd genoeg waren dat een hele hoop afscheidingen van mezelf: haar, teennagels, excrementen. Ik weet het, dat zegt veel over mezelf. (lacht) Ook een hele hoop objecten die aan iets herinnerden bewaarde ik: de eerste gebroken snaar van mijn gitaar, het eerste kapot gespeelde plectrum, maar even goed een hoop artikels uit Humo die ik interessant vond.”

 

“Op een bepaald moment heb ik dat allemaal weggegooid. Heel bevrijdend. Die objecten beantwoordden aan het mythische beeld van de kunstenaar dat ik had: iemand die zijn persoonlijke bezittingen herleidt tot kunst. De smachtende, toegewijde kunstenaar die dagboeken bijhoudt en vooral veel lijdt. (lacht)”

 

Op een bepaalde manier maakt je eigen leven nog steeds deel uit van je kunstpraktijk.

 

Verdonck: “Ja. Hoe ik mij naar het werk begeef, wat ik eet, de relatie die ik heb met mijn medewerkers, het materiaal dat ik gebruik, alles maakt deel uit van mijn werk. In alles wat ik doe, wil ik verantwoordelijkheid nemen. Een promotietekstje schrijven, is even belangrijk als de voorstelling die op scène te zien is. Alles is ook onlosmakelijk met elkaar verbonden in een slingerbeweging. Als ik iets maak met veel tekst, ga ik daarna voor iets beeldend. Na een werk over het klimaat wil ik iets maken dat zich niet verhoudt tot grote thema's. Het ene werk antwoordt op het andere. De ene keer komt dat terecht op een podium, de andere keer op straat of bij iemand thuis of in het museum. Voor mij is dat één geheel. Ik zie een voorstelling dan ook niet als een ‘af’ product, maar als deel van een proces. Ik droom van het eeuwige traject. Altijd blijven proberen. Alles is een oefening en het traject is kunst.”

 

 

Abke, jij hebt altijd geweten dat je toneelschool wilde volgen, maar toen je De Doorspeler van Ramsey Nasr zag, wist je dat het Herman Teirlinck moest worden.

 

Haring: “Dat stuk was super. Het zat tussen cabaret, toneel, geschreven tekst en improvisatie in. Zoiets wilde ik ook verkennen. Toen ik auditie ging doen bij Herman Teirlinck ben ik, net als Ramsey Nasr, bij de afdeling kleinkunst terechtgekomen. Jarenlang heb ik gitaarles gehad van Wannes Van de Velde, maar daar was ik absoluut niet goed in.”

 

“Voordat ik aan de toneelschool begon, wilde ik actrice worden. Ik wist niet eens dat je ook zelf een voorstelling kon maken. Villa Achterwerk op een zwart-wittelevisie was de enige cultuuruiting die ik thuis te zien kreeg. Ik heb wel altijd geschreven, maar ik wist niet dat ik daar ook iets mee kon doen. Tot ik op school merkte dat ik mijn teksten ook op het podium kon brengen.”

 

Je zei ooit dat het schrijven steeds moeilijker gaat in plaats van gemakkelijker.

 

Haring: “Ik bots steeds meer op mijn eigen beperkingen. Ook merk ik dat ik steeds vaker woorden schrijf die beter werken op papier dan op scène. Ik leg me erbij neer dat ik gedichten geschreven heb en dat ik ze dus ook maar op papier moet laten bestaan. Daar ben ik nu mee bezig. Spannend.”

 

Zijn die gedichten even donker als je voorstellingen?

 

Haring: “Veel donkerder. (lacht) Papier is zo welwillend, zo wit, zo rustig. Dat is prachtig. Als je de woorden daar juist op zet met de juiste verdeling van het blad, dan kun je lekker voluit zwartgallig zijn. (lacht)”

 

Song#2

 

Abke Haring

Benjamin Verdonck

 

Nog tot 22 februari 2013 op tournee in onder meer CC Kortrijk, C-mine Genk, STUK Leuven, CC ’t Gasthuys Aarschot, Cultuurcentrum Brugge, Theater Malpertuis Tielt en het Nieuwpoorttheater Gent.

 

www.toneelhuis.be