België, nu ook voor kinderen

Literatuur

Geert van Istendael en Benno Barnard schreven een geschiedenis van België die mikt op kinderen. Origineel, zoals België. Maar ook met haken en ogen, zoals België.

Mark Cloostermans

 

 

Er zijn geschiedschrijvers die zich kunnen meten met de grote verhalenvertellers van de literatuur. Zo heeft Jeroen Brouwers ooit in een interview Johan Huizinga’s Herfsttij der middeleeuwen een literair meesterwerk genoemd. Ook over de literaire waarde van de boeken van Geert Mak (In Europa) en Frank Westerman (Ingenieurs van de ziel) lijkt geen discussie te bestaan – al kun je je afvragen: wat bedoelt men hier met ‘literair’? Een betere stijl dan de gemiddelde historicus? Geen geweldig compliment.

 

Veel zeldzamer zijn de fictieschrijvers die zich aan de geschiedkunde wagen. Iedereen denkt nu uiteraard aan Godverdomse dagen op een godverdomse bol, waarin Dimitri Verhulst de geschiedenis die kinderen in de lagere school te verstouwen krijgen, driftig herkauwde en weer uitspuwde als aanklacht. Er is geen vooruitgang, insinueerde hij: techniek en technologie ten spijt, blijven wij een verschrikkelijke diersoort.

 

Geert van Istendael en Benno Barnard waagden zich aan een geschiedenis van niet de gehele mensheid, maar van België. Omdat ze merkten dat kinderen tegenwoordig op school geen degelijke geschiedenislessen meer krijgen, schrijven ze in het voorwoord van Een geschiedenis van België voor nieuwsgierige kinderen (en hun ouders).

 

België is een verdeeld land, met evenveel breuklijnen als regeringen. Het is dan ook verleidelijk om in een dergelijk boek allereerst op te zoeken hoe de auteurs zijn omgesprongen met de ‘delicate feiten’. U kent ze wel: de Gulden Sporenslag, de Vlamingen die tijdens WO I stierven omdat hun aanvoerders Frans spraken, etc. Laten we er eentje uitpikken: de Sporenslag. Barnard en van Istendael onderschatten het belang van de veldslag niet, maar stippen wel aan: “Aan beide kanten vochten mensen die Frans spraken. Het was dus niet een veldslag van Vlamingen tegen Fransen, hooguit kun je zeggen dat het een veldslag van Belgen tegen Fransen was. Maar in dat soort nationale termen dachten de mensen toen niet.”  

 

En laten we het daar maar bij laten: waarom controverse zoeken in een boek dat kinderen als doelpubliek heeft?

 

 

Ovens als dennenappels

 

Wat opvalt aan onze geschiedenis, is dat ze eigenlijk amper over ons gaat. De hoofdrolspelers zijn altijd buitenlanders – zeg maar: overweldigers. (Lang geleden dat ik die term nog eens in een recensie heb kunnen gebruiken.) Romeinen, Bourgondiërs, Oostenrijkers, Fransen, tot en met het christendom.

 

Er is, zeker in de eerste helft van het boek, veel waarover alleen in algemeenheden geschreven kan worden. Neem nu de Oude Belgen. We weten weinig over hen. Niettemin blijft het boeiend om te lezen hoe mensen ooit brons hebben leren gieten (in manshoge ovens in “de vorm van een dennenappel”), om vervolgens ijzer te ontdekken: “Omstreeks 800 voor Christus, of een beetje later, drong er een erg interessante nieuwigheid tot de toenmalige Belgen door: de methode om ijzer uit ijzererts te halen, het te verhitten tot 1300 graden en het te smeden op een aambeeld. En het mooie aan ijzer was dat het in heel Wallonië kon worden opgedolven. Zo begon de IJzertijd. En zo werden de Belgen voor het eerst in hun geschiedenis wat ze vandaag meer dan ooit zijn: rijk.”

 

(Met opmerkingen als die laatste  hebben de auteurs regelmatig hun tekst gekruid. Over de komst van Caesar wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat die niet alleen “veel lijken, verwoeste akkers, vernedering, paniek en verdriet” met zich meebracht, maar ook “een schitterende beschaving”: de Romeinen “bouwden villa’s die heel wat mooier waren dan wat je bij ons in de verkavelingen ziet staan.”)

 

Ook over het algemeen is deze geschiedenis arm aan ‘personages’: Barnard en van Istendael hebben zich moeten behelpen met ontwikkelingen en algemeenheden. Als ze dan toch eens een personage krijgen om hun tanden in te zetten, merk je meteen dat het verhaal opleeft. Zo is er een interessante passage gewijd aan Maeyken Wens, die in 1573 werd gemarteld en op de brandstapel gezet door de Bloedraad. Haar afscheidsbrief is bewaard, net als de tongschroef waarmee de beul haar tong doorboorde en aan haar verhemelte vastdraaide.

 

 

Nuances en clichés

 

Barnard en Van Istendael maken er een punt van om ingeslepen verhalen, clichés en stereotypen wat te nuanceren. Veel van die nuances zijn ook voor volwassenen leerzaam. De Spaanse Inquisitie is berucht, maar wist ú dat het niet deze rechtbank was die de meeste terdoodveroordelingen uitsprak? “Volgens moderne schattingen werd minder dan twee procent van de aangeklaagden ter dood veroordeeld, minder dan duizend mensen. Hels, ontzettend, maar gewone rechtbanken spraken de doodstraf makkelijker uit.”

 

Andere clichés. Bestaan ze wel, vragen de auteurs, “de calvinistische Hollander” en “de Bourgondische Vlaming”? “In het echt zijn mensen meestal anders dan de gemakzuchtige beelden die van hun volk worden opgehangen.” (Niettemin trappen Barnard en van Istendael ietwat verderop met beide voeten in de valkuil van een ander cliché. “Net zoals onze voorouders hebben wij de neiging de overheid op te lichten… (…) [In Nederland] hebben de mensen veel sterker het gevoel dat ze hun land samen besturen.” Dat lijkt me net zo goed een gemakzuchtig beeld – en het gaat voorbij aan het feit dat de Nederlandse politiek geen geldverslindende farce met zes parlementen is.)  

 

Maar goed, ook al zijn onze bekende Vaderlanders ófwel eigenlijk Hollanders ófwel eigenlijk Fransen en ook al worden de voornaamste rollen in onze geschiedenis gespeeld door buitenlanders, af en toe zijn er ook redenen voor – zal ik het zeggen? jazeker: trots.

 

Trots op kleine vermeldenswaardigheden: “...maar weinig Belgen weten dat New York ooit is gekocht door een Belg voor de prijs van een autowrak”. (De Doorniknaar Peter of Pierre Minuit betaalde minder dan duizend euro aan de indianen voor het eiland Manhattan.) En trots op echte verworvenheden: zo hebben ‘wij’ in 1581 een vreemde heerser, Filips II, officieel afgezet. Niet met een bloedige revolutie, dat is niet echt onze fort, maar met een blad papier: het Plakkaat van Verlatinghe. Dat zou later worden geïmiteerd door de Amerikanen: met hun Plakkaat, de Declaration of Independence, scheurden ze zich af van Engeland, in 1776. Twee eeuwen daarvoor hadden de Belgen de koning van Spanje al laten weten dat hij alles had gedaan om hen te knechten (o.m. met “de Spaensche Inquisitie (…) dewelcke in dese landen altijt so schrickkelick ende odieus (…) als de slavernije selve gheweest is”) en dat dat gedaan moest zijn.

 

 

Gemiste kansen

 

Dimitri Verhulst stopte zijn tegendraadse geschiedenisles na de ontploffing van de eerste atoombom. Ook van Istendael en Barnard ontwijken de na-oorlogse periode: die wordt afgehaspeld in drie hoofdstukjes. Naarmate het einde nadert, hangen die meer en meer als los zand aan elkaar.

 

Niettemin is Een geschiedenis van België... onmiskenbaar prettige en leerzame lectuur. Heeft uw kind interesse voor geschiedenis, dan zul je je, met dit boek als cadeau, geen bult vallen.

 

Toch zat er meer in dit project dan het boek dat nu in de winkel ligt. Kijken we bijvoorbeeld naar de opbouw: zo braaf chronologisch. Dit boek zou dertig jaar geleden precies zo geschreven zijn. Af en toe laten Barnard en van Istendael  een zekere variatie toe en gaan aan de slag met namen of sleutelwoorden. In het hoofdstukje Niet zo primitieve Vlamingen, bijvoorbeeld, passeren o.a. Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Orlandus Lassus en Hans Memling de revue, telkens in een paar alinea’s, snel en raak gesitueerd. En in het hoofdstuk Een schrikbewind wordt de periode waarin Filip II vorst van het Habsburgse Rijk was, beschreven aan de hand van de belangrijkste termen: hagenpreken, Beeldenstorm, geuzen.

 

Deze benadering doet sterk denken aan googelen: een thema verkennen aan de hand van zoektermen. Om ietsje dichter bij hun doelpubliek te komen, hadden de auteurs meer kunnen doen met die techniek. Hun Geschiedenis is geschreven voor kinderen, terwijl hun doelpubliek eigenlijk kids zijn.

 

Een fundamenteler bezwaar vond ik het totale ontbreken van een internationaal perspectief. Geschiedenis is altijd subjectief, maar in dit boek horen we maar één klok (zij het af en toe bijgesteld met de lichte ironie van de auteurs). In één passage wijzen de auteurs erop dat de Hertog van Alva, die in ónze geschiedenis een soort Dracula is, in de Spaanse geschiedenisboeken een heel andere tint heeft: “Alva was dus alles bij elkaar een loser van jewelste. Maar het gekke is dat kinderen in Spanje op school leren dat Alva een held was.”

 

Waarom daar niet wat dieper op ingegaan?

 

Ik mis een Franstalig perspectief in dit boek, want hoe Belgicistisch de auteurs ook zijn, het blijven Nederlandstaligen. Ik mis ook een Arabisch perspectief, in het hoofdstuk over de Kruistochten. Enzovoort. Die ‘vervormende spiegels’ hadden de vertelde feiten spannender kunnen maken, en het doelpubliek kunnen leren dat de geschiedenis van een land noch objectief is, noch ophoudt aan de landsgrenzen.

 

Ach ja, een mens kan niet alles hebben. Om het te zeggen in termen die élke Belg verstaat: ‘Ceci n’est pas un livre parfait.’ 

 

Benno Barnard en Geert van Istendael, Een geschiedenis van België voor nieuwsgierige kinderen (en hun ouders). Met tekeningen van Judith Vanistendael. Uitgeverij Atlas Contact. 320 blz., ISBN 9045045494, € 24,95.