In Brussel: een reis door de wereld

Literatuur

Historicus en Brusselkenner Hans Vandecandelaere promoveerde met een werkstuk over een Brusselse revolte in de middeleeuwen. Met zijn onlangs verschenen boek In Brussel – een reis door de wereld maakt hij een sprong van eeuwen. Het boek kreeg vooralsnog weinig persaandacht en daar wil STAALKAART graag wat verandering in brengen, want het vult een absolute leemte op in de Brusselbibliotheek. Het boek combineert in een verhalende stijl niet alleen getuigenissen met bestaand onderzoek, het is ook – tot spijt van wie dat benijdt – een liefdesverklaring aan een veelkleurige metropool die wereldgeschiedenis binnenhaalt. Een reis langs mensen en literatuur. En voor niet-Brusselaars een reis naar morgen.  

Lieven de Laet

 

“Over het Brussel van net na de Tweede Wereldoorlog is een nieuwe stad geschoven, deels met dezelfde gebouwen maar vooral met andere bewoners. Vandaag heeft meer dan de helft van de ketjes buitenlandse roots. Tussen de Basiliek van Koekelberg en het Zoniënwoud lopen ongeveer 170 nationaliteiten rond. Van Braziliaanse gyprocplaatsers tot Grieken die hun ruggenwervels versleten bij de aanleg van de metro. Van Bulgaarse madammen achter de vitrines aan het Noordstation tot Libanezen met hun tweedehandsauto’s langs het kanaal. Van wokkende Chinezen en Vietnamezen bij de Beurs tot hooggeschoolde expats rond Schuman en Russische adel in een Ukkelse vallei. En dan zwijgen we nog over mensen met gemengd bloed.”

 

Hoe kwam die superdiversiteit volgens u zo razendsnel tot stand? Waarom is Brussel zo’n aantrekkingspool voor de meest diverse nationaliteiten?

 

Hans Vandecandelaere: “Het antwoord op die complexe vraag kunnen we spreiden over 60 jaar (lacht). In feite begint alles met de komst van de gastarbeiders en de enorme zuignap die industrie heet. Industrie was in Brussel heel bepalend tot halverwege de jaren ’70: de tijd van de grote infrastructuurwerken, Expo ’58, het graven van de metro... Drie pijlers dus: bouw, infrastructuur en industrie, hoewel het laatste vaak vergeten wordt. Er is met andere woorden een hele garde van gastarbeiders present in Brussel, samen met hun nageslacht. Ten tweede is er de gigantisch belangrijke internationale rol van Brussel – stel u voor dat ‘Europa’ wegtrekt, waar zou Brussel dan nog staan? ‘Europa in Brussel’ genereert per jaar meer dan 5 miljoen overnachtingen. Dat slaat zowel op zakenlui als op toeristen en er zijn wel 33.000 banen, waaronder ook genoeg jobs voor laaggeschoolden: taxichauffeurs, zij die werken in de horeca, enzovoort. Deze internationale uitstraling getuigt van een absolute aantrekking. Ten derde zijn er de grensoverschrijdende aspecten, zoals bijvoorbeeld de uitstekende sociale zekerheid, waarvan we de zuigkracht niet mogen onderschatten, maar dan spreken we op een Belgisch niveau. Ten vierde het asielbeleid – België heeft toch een van de meest humane asielsystemen van Europa of zelfs van de wereld. En ten slotte de rol van de globalisering en de democratisering van informatie. Een Braziliaan in het diepe Regenwoud kan met andere woorden weet hebben van het feit dat men gyprocplaatsers zoekt in Brussel... Onderschat ook de rol niet van de aanwezigheid van een informele arbeidsmarkt. Ik heb me twee jaar lang staan verbazen hoe sterk Brussel poetsers en bouwvakkers aantrekt, sectoren dus waar zwartwerk een uitweg biedt voor de nijpende concurrentie.”      

 

U spreekt over ‘Braziliaanse gyprocplaatsers’... Waarom hebben vele bevolkingsgroepen zo hun eigen cliché-beroep of cliché-activiteit? Chinese en Vietnamese restaurants, Poolse kuisvrouwen, Pakistaanse nightshop-uitbaters,...? Steken we hen graag in vakjes?

 

HV: “Clichés hebben vaak wel een grond van waarheid. Met Braziliaanse gyprocplaatsers vind je heus niets uit. Sinds enkele jaren is dit in Brussel een zeer pertinent aanwezige realiteit; het zijn heel specifieke etnische tewerkstellingsniches. Het heeft te maken met het bestaan van een informele economie, die eigen is aan Brussel. De grote bouwbedrijven zoals Blaton en zo, zullen de laatste jaren niet zoveel zwartwerk meer uitbesteden. Wat wel gebeurt is dat de neventakken binnen de bouwsector uitbesteed worden aan kleinere ondernemers, en gezien de enorme concurrentie zijn deze wel gedwongen om een appel te doen op zwartwerk. Van deze niche maken heel veel Portugezen op een reguliere manier gebruik, zij werden ingeschreven eind de jaren tachtig. Deze mensen zijn nu de ‘patron’ geworden, en schuiven de arbeid in het zwart door aan Brazilianen. Het gaat om binnenhuiswerk, dus de ‘pakkans’ wordt veel kleiner als je dat soort werk doet. Vakjes of etiketten zijn dus niet altijd fout. Maar wat ik bovenal met mijn boek trachtte te doen, was over het cliché heen kijken. Zodra je bijvoorbeeld verder gaat graven dan het clichébeeld van de gecriminaliseerde Albanezen, kom je uit bij het boeiende verhaal van de zeer verscheiden Albanese migratiecarrières naar Brussel, en dit al sinds 1956. Het gros van die mensen is meer dan behoorlijk geïntegreerd. Kortom, ik maakte er een speerpunt van om voor elke gemeenschap de interne, zeer verscheiden diversiteit mee te geven. Onlangs gaf een lezer me de mooie en gevatte kritiek: “Ik las in je boek vooral de warme veelheid”.

 

Ik ken persoonlijk de Pakistaanse uitbater van mijn nightshop waar ik vloeiend Pools mee spreek omdat zijn vrouw een Poolse is... Er is dus ook veel vermenging. Komt ook dit aspect in uw boek aan bod?

 

HV: “Minder, omdat het zo al complex genoeg is. Het niveau van individuele diversiteit kan ik niet in kaart brengen, dan schrijf je immers een apart boek. Dan kom je uit op de hybriditeit van Brussel, hoe vermengd het wel is. Die grens heb ik duidelijk willen afbakenen. Mijn boek reikt enkel de bouwstenen aan die uiteindelijk tot vermenging leiden. Je moet natuurlijk eerst de migratie uit Polen en uit Pakistan ontvangen, alvorens uit die twee samen iets kan bloeien (lacht). 

 

De internationalisering van Brussel verliep in amper zestig jaar en u voorspelt dat dit proces zal worden verdergezet. Het begrip Zinneke – ooit gebruikt voor een verbastering tussen Nederlandstalige en Franstalige Brusselaars – krijgt een nieuwe invulling. Wat is voor u vandaag een Brusselaar, een Zinneke, een ketje?

 

HV: “Hoe die mensen zich individueel voelen, weet ik natuurlijk niet, daar gingen mijn vragen nooit naar uit. Maar dankzij bijvoorbeeld de Zinnekeparade wordt de notie van multiculturaliteit meer opgenomen. De basis van de Zinnekeparade was altijd: we vertrekken van het verschil. We brengen mensen vanuit verschillende sociale, economische en levensbeschouwelijke achtergronden samen in een duurzaam verband. Na anderhalf jaar noeste arbeid komt alles samen in de parade, waar diversiteit zelfs niet meer aan bod komt, het wordt zo niet meer benoemd. Het is een symbolische uiting van het succes van op een heel vermengde manier samenleven in de stad. En men creëert van daaruit iets nieuws, namelijk een parade. Daarin ligt voor mij de symbolische kracht van Zinneke: het lukt wel degelijk!”

 

 

Het is een van de weinige momenten wanneer Brussel op een positieve manier in het nieuws komt... Men kan niet zeggen dat Brussel gezegend is met positieve nieuwsgaring...

 

HV: “Professor Eric Corijn (VUB) koppelt daar een mooie analyse aan vast: als het vaak fout gaat in Brussel moet je het eerder in de richting van het institutionele zoeken, in de zeer complexe beleidsstructuur. In wezen functioneert Brussel in al zijn hybriditeit wel in zijn dagdagelijksheid. Ik sluit me aan bij Corijns redenering: één keer om de twee jaar vieren we en tonen we heel krachtig dat het wel degelijk lukt. En dan bedoel ik ‘onder de mensen’, niet zozeer bij de instellingen. Dat is de ware kracht van Zinneke.”  

 

Onbekend is onbemind. Mensen die niet in Brussel wonen, bekijken de stad vaak – zoals ikzelf trouwens, toen ik een Vlaamse tiener was – als een gevaarlijke mix, waar alles door elkaar loopt, waar geen zekerheden zijn, waar het vuil is en onbegrip heerst; ik haal slechts enkele clichés aan. Ik ben er sinds ik in Brussel woon met u van overtuigd dat dit niet zo is. Vanwaar de reflex van zij die de stad niet kennen om zo te denken?

 

HV: “Ik weet het niet, dat zou je in Vlaanderen en Wallonië moeten vragen! Is Expo ’58 niet het laatste moment geweest toen Brussel nog de hoofdstad was van iedereen? Toen zowel de Vlaming als de Waal nog fier was op zijn hoofdstad? Dan volgden de trieste jaren ’60 en ’70 en zeker ’80, wanneer Brussel degradeerde tot een ‘vuilnisbak’. Volgens mij heeft het met de federalisering van het land te maken, met scheiding en het trekken van grenzen, met het inbouwen van afstanden tussen de Vlaming en zijn hoofdstad. Een retorische vraag: wie was er nog in Brussel geïnteresseerd toen de Noordwijk werd gesloopt? Brussel werd al snel een ver-van-mijn-bed-show. Maar hoe die processen precies zijn verlopen, weet ik niet, dat kan ik niet vertellen.

 

Wat je vraagt was dus niet de inzet van mijn boek, maar als mijn werk tot een beter begrip van en voor Brussel zou bijdragen, zou ik gelukkig zijn. Lukas Vander Taelen schreef een boek waarin hij effectief pijnpunten naar voren brengt, die ik voor een deel volg. Hij raakt bepaalde zaken aan, onder andere de lamentabele beleidsstructuur, waar hij zeker een punt heeft. Het jammere bij Vander Taelen is dat hij het scherp en vrij eenzijdig neerschrijft. Als men dat leest in Vlaanderen, kan men lang uitgestrekt in de fauteuil gaan zitten en mompelen: “Zie je wel, Brussel is gewoon een vuilnisbak.” Mijn nuance is dat ik op een brede manier hebben willen kijken naar 60 jaar diversiteit in alle opzichten, en dus niet enkel heb gefocust op de pijnpunten, want diversiteit is zoveel meer dan het seksime op straat, hoofddoeken of bepaalde groepen die het moeilijk hebben – zonder dat ik deze zaken wens te banaliseren. Ik schrijf het ook in de inleiding tot mijn boek: als je die veelheid uit mijn werk tot jou neemt, krijg je een heel ander beeld van Brussel.”     

 

U haalt Geert Van Istendael aan, die ooit zei dat Brussel best wel eens een verlichte despoot zou kunnen gebruiken, eentje met een goede inborst die over de macht beschikt om het zo over baronieën versnipperde overheidslandschap te hertekenen. Want een grootstedelijke problematiek valt niet op te lossen als er niet 1 plan is voor de hele  stad. Hoe denkt u hierover?

 

HV: “Dat gaat opnieuw over beleid. Mijn boek is geen beleidsboek en is ook niet politiek, ik bouw in eerste instantie historische kennis inzake migratie op. Scherper gesteld kan je het zo verwoorden: het is een boek over de man of de vrouw die morgen naast u op de metro komt zitten. Maar inderdaad, een drastische bestuursvereenvoudiging zou Brussel niet misstaan. Anderzijds kan Vlaanderen misschien op de stad neerkijken, maar Brussel heeft niet eens alle hefbomen in de hand om de problemen in bijvoorbeeld het Brussels onderwijs op te lossen. En dit onderwijs moet absoluut en dringend verbeteren! Maar als je het instrument zelf niet in handen hebt, omdat het communautair is en vanuit Vlaanderen gedicteerd wordt, moet men vanuit Vlaanderen ook ophouden om het als ‘ver van ons bed’ te beschouwen. Als men denkt dat de onopgeloste Brusselse problemen binnen de grenzen van onze stad blijven, vergist men zich schromelijk. De internationalisering van de Rand is volop bezig, net zoals de schoolbanken in Mechelen en Aalst volop verfransen... Hoelang zal een bepaald segment van Vlaanderen nog op Brussel neerkijken?”    

 

Opnieuw spelen de media hier een grote rol...

 

HV: “De media wacht inderdaad een zware en nobele taak. Er is nog heel veel werk. Minister Lieten nam het op in de beleidsplannen voor de VRT, wat al een goede zaak is. Ik zou zeggen: pomp de media vol met meer mensen van andere afkomst, in de rol van presentator, presentatrice, acteur of actrice... er gebeurt al heel wat, maar het mag voor mij 10 keer sterker en krachtdadiger. We moeten diversiteit banaliseren, dat wil zeggen: het niet meer expliciet benoemen, maar het zo evident en gewoon maken dat niemand er nog over struikelt. We hebben bijvoorbeeld al acteur Jamal Boukhriss, Annabelle Van Nieuwenhuyse op de radio, Yasmina El Messaoudi op TV Brussel... De reeks De School van Lukaku op VRT was een goed begin, maar ‘het mag iets meer zijn’. Er is de rapper Brahim bijvoorbeeld, die heeft wat je een BV-cultus kan noemen, maar men moet de aanwezigheid volgens mij nog sterker opvoeren, om zo de clichés te doorbreken.”

 

 

Sociologisch onderzoek concentreert zich meestal op deze clichés en wat we probleemgroepen noemen – ze zijn bekend. Waarom worden de andere groepen niet onderzocht of in kaart gebracht, zijn ze niet interessant genoeg?

 

HV: “Men kiest vrij eenzijdig in onderzoek, vermoedelijk heeft dit te maken met de financiering ervan. Het moet allemaal zogenaamd financieel en maatschappelijk relevant zijn. Ik breek een lans voor de diversifiëring van onderzoek.”

 

U geeft ook les over middeleeuws Brussel?

 

HV: “Hoe langer hoe minder, maar dat was a priori mijn specialiteit. Volgens mij is er in beide gevallen nood aan de vertaalfunctie tussen de wetenschappelijke wereld en het publiek. Dat betekent dat je soms zeer complexe materie op een pedagogische manier moet vertalen. Tijdens rondleidingen vertelden sommige toehoorders me dat ik op straat sta te doceren, en dat is het ook. Ik denk vaak dat de wetenschappelijke wereld zacht gedwongen mag worden om dat meer te doen. Men moet de resultaten van onderzoek veel beter communiceren, anders staat een doctoraat maar gewoon op de planken van de universiteitsbibliotheek te blinken. Die vertaalfunctie is absoluut nodig.”  

 

U zegt in de inleiding: “Ik stop mijn boek waar de toekomst begint”. Hoe denkt u dat Brussel verder zal evolueren? Krijgen we bijvoorbeeld nog meer gettovorming zoals aan Zwarte Vijvers of in  Matonge, of wordt Brussel door de groeiende diversiteit opener, weerbaarder, ontvankelijker?

 

HV: “Let op met woordgebruik zoals ‘getto’. Matonge is dat in de verste verte niet; daar leven meer dan 100 nationaliteiten samen. Brussel moet er vooral in slagen om zijn ruimtelijke en sociale dualiteit op te lossen. De tegenstelling tussen enerzijds meer welstellende gebieden in het zuidoosten en in mindere mate de westelijke rand, en anderzijds geconcentreerde armoede en werkloosheid in de centrumgemeenten. Dit is een van de allergrootste uitdagingen. Hoe je dit oplost, is opnieuw voer voor specialisten, en vooral voor een apart boek. Maar je hoeft geen dokter te zijn om de diagnose te maken. De migratie zal aanhouden. En dat stelt Brussel voor enorme uitdagingen inzake arbeidsmarktbeleid, huisvesting en onderwijs. En zoals gezegd, ook voor Vlaanderen, want diversiteit kleurt niet binnen de lijntjes van een Gewest.”

 

Nog een citaat: "Los van het eeuwige vuil in de straten scoort het internationale karakter van de stad torenhoog. 'Multiculti', zoals de Duitse bondskanselier Angela Merkel het noemde, werd door de metroreizigers spontaan als een van de meest positieve hoofdeigenschappen aangehaald. Dit sluit aan bij wetenschappelijke bevindingen. Brussel wordt door een pak inwoners en nieuwkomers als zeer open en tolerant ervaren. De verscheidenheid is er zo groot dat één dominante 'nationale' cultuur, waarnaar iedereen zich moet schikken om erbij te horen, naar de achtergrond wordt verdrongen. Doorgaans kan je zijn wie je bent.” Als Brusselaar kan ik mij hierin vinden, en naar mijn mening trekt Brussel daarom vanuit Vlaanderen en Wallonië mensen aan die ik zou kunnen benoemen als een soort gelukszoekers, havelozen of schipbreukelingen: zij die de sociale druk in hun gemeente, hun kerktoren en de klassiek voorgekauwde paden de rug willen toekeren. Is Brussel een soort vrijhaven voor België zoals Berlijn dat is voor Duitsland?

 

HV: “Dan moet je met Vlamingen en Walen praten die de interne migratie naar Brussel maken. De culturele scène in Brussel bijvoorbeeld betekent een enorme aantrekking, je komt hier in een ongelofelijke diversiteit terecht, in openheid. Maar ook, en dat zou eigenlijk eens onderzocht mogen worden: heeft onze hoofstad misschien een lager zelfbeeld dan een stad als Antwerpen? Hebben we de fierheid en de drang niet om ons te profileren? Daardoor creëert de stad automatisch meer marge om te zijn wie je wil zijn, want er is geen alleszaligmakend groot project om alle Brusselaars rond zich te binden, waardoor we automatisch met meer fragmentatie te maken hebben.” 

 

 

Voor welke uitdagingen staat Brussel en haar bevolking?

 

HV: “Zoals ik al zei: de arbeidsmarkt, de huisvesting, het onderwijs. Vooral de snelheid van de migratie is een enorme uitdaging: je moet het allemaal maar kunnen opvangen. Je kan je in dit verband ook vragen stellen bij de sociale cohesie in bepaalde buurten. Het verhuisdebiet kan soms zo hoog oplopen dat nieuw- en oudkomers elkaar niet meer kennen. Laatst gidste ik een groep door een voormalige Italiaanse buurt in Sint-Joost-ten-Node waar al decennialang ‘carréprostitutie’ plaatsvindt. Een deelneemster vertelde me hoe ze daar in de jaren ‘70 woonde, te midden van Italianen, Belgen en prostituees. En ook hoe die laatsten perfect sociaal aanvaard functioneerden en met de buurtbewoners mee op restaurant trokken. Loop nu door die wijk, en je kan je afvragen wie op den duur wie nog kent. Met de droevige evolutie tot gevolg dat prostituees wellicht degradeerden tot hoeren. Je hoort mij dus niet zeggen dat migratie niet voor uitdagingen zorgt. Maar als je er debat over voert, moet je het bredere perspectief meenemen, al het goede van migratie, de vele nuances, de erfenissen die vandaag collectief erfgoed werden, denk maar bijvoorbeeld aan het culinaire. Migratie heeft vaak tijd nodig. Benoem problemen als die er zijn. Maar doe het op een constructieve en genuanceerde manier zonder te veralgemenen en te stigmatiseren. Want dat leidt nergens toe. Diversiteit is een onomkeerbaar gegeven. Daar moeten we mee verder, willen of niet.”

 

In Brussel – Een reis door de wereld, Hans Vandecandelaere, uitgeverij EPO, 2012, 520 blz., ISBN 9789491297359, € 29,50.