Een gewapend essayist

Joris Note
Literatuur

In Wonderlijke wapens verzamelde romancier Joris Note zijn essays over politiek geëngageerde schrijvers, welbespraakte politici, mystici en anderen die ‘neen’ zeiden tegen de pensée unique.

Mark Cloostermans

 

Voor veel kunstliefhebbers is het haast een dagtaak: de mainstream van de cultuur ontwijken en je eigen smaken, voorkeuren en interesses volgen. Wie zijn cultuur graag alternatief heeft en niet vies is van een portie politiek, zou zijn gading kunnen vinden in Wonderlijke wapens van romancier Joris Note (KindergezangHoe ik mijn horloge stuksloegTegen het einde…)

 

Pardon, zei u politiek? “Om misverstanden te voorkomen: bij ‘politiek’ denk ik minder aan partijen, parlementen, verkiezingen en regeringen dan aan groepen en mensen die een bestaande orde willen ondergraven of minstens ondervragen, die versteende toestanden willen doen dansen”, stelt Note in de inleiding. Note zocht en vond schrijvers op het snijpunt van kunst en politiek: de van Martinique afkomstige politicus-dichter-toneelschrijver Aimé Césaire, de linkse dichter Herman Gorter, zijn rechtse collega Ezra Pound, enzovoort.

 

Maar het blijft niet bij schrijvers. De vermoorde Kongolese politicus Patrice Lumumba komt net zo goed aan bod, omwille van zijn geruchtmakende speech bij de viering van Kongo’s onafhankelijkheid. Een speech die Boudewijn flink tegen de haren instreek en die indirect Lumumba’s doodvonnis veroorzaakte. Wonderlijke wapens gaat kortom over mensen met politieke ambities (in de hogergenoemde zin van “toestanden doen dansen”) die zich bedienden van woorden. Woorden, ofte ‘armes miraculeuses’, aldus Césaire.

 

Note aarzelt soms zelf of de mensen die hij beschrijft, eerst kunstenaar of eerst politicus waren. Aimee Césaire had een politieke loopbaan van 1945 tot 2001: hij lijkt zowel binnen te staan (de officiële figuur) als buiten (de schrijver). Eén van zijn bekendste teksten, het Discours sur le colonialisme, was de ‘plek’ waar hij alles kon zeggen, alles wat contraproductief zou zijn op het publieke forum. Césaire gaf daarmee blijk van een voorzichtigheid die Lumumba blijkbaar niet nodig achtte: die zei ‘alles’ in het openbaar.

 

Unique

Wonderlijke wapens opent met een lang essay over Césaire, waarvan het mij niet meteen duidelijk was waarom de auteur het nu eigenlijk schreef. Om Césaire bekender te maken in België? Ja, Note hoopt dat er eindelijk eens werk gemaakt zal worden van een paar vertalingen. Maar toch gaat het hem om iets anders.

Note loopt in deze bundel storm tegen een pensée unique, het setje meningen dat wordt erkend door de pers en de opiniemakers. Of het nu gaat over de mystici (in een essay over de dichteres Hadewijch) of over schrijvers uit gekoloniseerde landen: telkens zien we de enkeling die in opstand komt tegen een pensée unique. Césaire zag hoe de wereld waarin hij leefde werd vastgenageld aan één interpretatie: die van de kolonisatoren. Hij zocht zijn toevlucht in de ‘negritude’, een “mythisch, illusoir Afrika”. Er was een tegenstem nodig die de monoloog van het westen verstoorde: kolonialisme was “l’humanité réduite au monologue”.

Ging Césaire in feite in het verweer tegen de monoloog van de koloniserende grootmachten, dan verzette Ezra Pound zich tegen de propagandamachine die gedurende WO I alles overschreeuwde: tegenover de barbaarse Teutonen stonden de staten van de geallieerden, die de cultuur beschermden. Maar het woord beschaving “had voor Pound (…) een betekenis die afweek van het propagandacliché: het was een kwestie van mogelijkheden, van creativiteit en toekomst, niet alleen een zaak van behoud en van oude beelden en boeken”. “There died a myriad, / (…) For an old bitch gone in the teeth, / For a botched civilisation’”, luidt het in Pounds gedicht Hugh Selwyn Mauberley. Beschaving, concludeert Note, is minder “iets wat bewaard dan (...) iets wat gemaakt moet worden.” En wat telt, misschien nog meer voor kunstenaars dan voor ‘gewone’ burgers, is dat ze leren nee zeggen tegen de status-quo in onze post-idealistische samenleving...

Dat zoeken naar alternatieven, naar een nieuw te maken cultuur, leidt vaak tot literatuur met talige ambities. Césaire beriep zich op Mallarmé, die zei: “Je refais la langue.” “Zo legt hij een verband tussen zijn eigen poëtische modernisme en zijn excentrische plaats als gekoloniseerde: om zichzelf en zijn herkomst trouw te blijven moest hij een taalvernieler en -vernieuwer zijn”, analyseert Note. Daar zou André Breton, voorman van de surrealisten en aanwezig in meerdere essays, het wel mee eens zijn.

 

Onvrede

Je hebt essayisten die in de eerste plaats willen aanprijzen, die de lezer willen doen delen in hun enthousiasme. Dat soort essayist is Note niet: eerder dan enthousiasme ventileert hij onvrede. Het blijft niet bij essays over kunstenaars die de ‘monoloog’ afwezen: Note heeft ook zijn eigen gevecht te voeren. Meer bepaald, tegen de culturele elite die eensgezind David Van Reybroucks Congo. Een geschiedenis tot meesterwerk benoemde.

Het essay over Congo is zonder twijfel de kwaadste tekst in dit boek. Note wil desnoods nog wel erkennen dat het hier een “vaardige vulgarisatie” betreft – misschien is het woord eerder ‘jennen’ dan ‘erkennen’ –, voor de politieke strekking van Van Reybroucks boek kent hij geen genade.

Er is ook over Van Reybroucks toneelstuk Missie al opgemerkt dat het zowel qua genre als qua politieke inhoud een monoloog is: het westerse perspectief, zonder inspraak van de Kongolezen. Van Reybrouck maakt wel érg veel voorbehoud bij de figuur van Patrice Lumumba, zegt Note; het lijkt haast alsof die zelf meer schuld heeft aan zijn eigen moord, dan de moordenaars. Bij Van Reybrouck is elke ideologie inwisselbaar en lijken persoonlijke affiniteiten belangrijker dan internationale machtspolitiek. “Alsof (...) belangen en groepen en machten een bijrolletje speelden”, sneert Note. En zijn essay laat zich niet wegwuiven: dit is geen zure kritiek, maar een zinnige nuancering bij alle lof.

Note kan vreselijk drammen, maar net zo goed ook verrassen. Ik had me niet verwacht aan essay over Marike van Nieumeghen, en nog veel minder had ik het mogelijk geacht dat in zo’n essay opeens een citaat van “linguïst en linkse opiniemaker” Jan Blommaert zou opduiken. Eveneens bewonderenswaardig is hoe Note er telkens in slaagt om níet ons gebruikelijke perspectief in te nemen. Het is alsof hij je bij de kin pakt en je hoofd draait in de richting die je normaal gezien amper waarneemt. Zo laat hij ons naar de Europese geschiedenis kijken door de ogen van gekoloniseerde staten, bijvoorbeeld. Dat leidt tot ongemakkelijke vaststellingen. De blanke burger, lezen we in het essay over Césaire, vond Hitler vooral schokkend omdat die hém tot slachtoffer maakte: “Die weldenkende burger moet leren beseffen (...) dat hij de Führer alleen maar verwenste wegens diens misdaden tegen de blanke mens: omdat hij op Europa praktijken toepaste ‘waarvoor tot dan toe alleen de Algerijnse Arabieren, de Indiase koelies en de Afrikaanse negers in aanmerking kwamen’.” Nazi-Duitsland als het hoogtepunt van de kolonialistische periode? Dat lees je niet alle dagen.

 

Abundantly
 

Literatoren kunnen politieke idealen hebben. Politieke idealisten kunnen baat hebben bij het gebruik van teksten met literaire waarde. Maar elkaar echt vinden doen ze toch niet. Kunst is nooit literatuur. Als om dat te bewijzen schraapt en schuurt alles in Wonderlijke wapens: nu eens schrijft Note over politiek, dan weer over literatuur, en de twee onderwerpen lijken te vechten om de dominante positie in dit boek. Alsof Note wel schrijft over literatuur, maar zijn hart bij de politiek heeft.

 

Dat dit alles hem nauw aan het hart ligt, is voelbaar. Democratie is niet “eerst politieke verkiezingen en daarna apolitiek bestuur in dienst van een status-quo”, bezweert Note de lezers. Om er wat vertwijfeld aan toe te voegen: “Echt niet.” En verderop: “Je kunt ook stellen dat democratie slechts bij momenten bestaat, bijvoorbeeld de momenten waarop iemand laat horen, tegen illusie en pretentie in, dat er iets niet klopt... (...) Houdt democratie, zo gezien, niet noodzakelijkerwijs ‘rebellie’ in?” Ja, “zo gezien” wel, maar hoevelen zien het zo? Democratie is veel vaker een soort kalmeringsmiddel: de tranquilizer die onze ziekte niet geneest, maar wel de pijn verlicht.

Ezra Pound vond “het doel van alle kunst” in het Johannes-evangelie: “that ye might have life and have it more abundantly”. Joris Note vertaalt: “als een kunstwerk je niet opwekt en je leven vermeerdert, heeft het geen zin”. Is dat niet erg hoog gegrepen? Verliest een schrijver die taalvernieuwing nastreeft, niet onvermijdelijk het contact met het publiek? Hoe ga je dan politieke impact hebben? En zelfs als je dat probleem ontwijkt, is het dan wel mogelijk om iets te veranderen met die wonderlijke wapens? “Bertolt Brecht geldt vaak als de politieke schrijver bij uitstek; maar heeft zijn werk noemenswaardige politieke impact gehad? (...) Politiek geëngageerde literatuur, zelfs in de brechtiaanse variant, wekt doorgaans alleen het politieke enthousiasme op van degenen die al min of meer overtuigd waren.”

Ik vond Wonderlijke wapens het boeiendste als Note op één werk inzoomde, in plaats van met brede armslag geschiedenis, politiek en een heel oeuvre in één tekst probeerde te prangen. In “Een mager big” breekt hij een lans voor de socialistische poëzie van Herman Gorter, en met name voor Een klein heldendicht, waarin twee arbeiders zich bewust worden van hun politieke missie. “Het werk gaat over evolutie naar vastheid (...) en er is vooral aan het einde een soort zekerheid van de personages over de maatschappij en over wat ze moeten doen.” Je zou er jaloers op worden, in dit tijdvak van lauwe ideologieën.

 

Joris Note, Wonderlijke wapens. Essays over literatuur en politiek. De Bezige Bij, 288 blz., ISBN 9789023473985, € 22,50.