Een ontmoeting met zichzelf en de zijnen

Schilder Peter Weidenbaum
Beeldende Kunsten
2014, The Philosopher, 50 x 50 cm

Meer dan een jaar geleden ontving ik van kunstenaar Peter Weidenbaum onverwacht een mail, met de woorden ‘The Philosopher’ in de titelbalk. Bij het openen van dit bericht werd ik geconfronteerd met mijn eigen tronie. De titel van het werk was geen parodie, zoals ‘The Belgian Politician’ van Tuymans, noch een verheffing tot de zeer kleine groep filosofen die Vlaanderen arm is. Deskundigen in de filosofie zijn talrijk, maar ‘filosoof zijn’ is voor de Fransen en de Duitsers en al eens een Angelsakser weggelegd. Het Nederlands taalgebied moet het in de geschiedenis stellen met Spinoza; Denemarken met Kierkegaard; de Grieken met de herinnering aan een groot verleden.

 

Voor Weidenbaum slaat het begrip ‘filosoof’ enkel op een soort mens, namelijk deze die in staat is de wereld te ordenen in zijn hoofd en daar ook de tijd voor neemt: hij die de onrust in het leven omzet tot berusting. Ik kan leven met die invulling van de vriend van de wijsheid. Maar kan ik ook leven met het werk? Zeker. Een staatsieportret is het niet, maar dat is ook voor niets nodig. Het is een spiegelbeeld waarvoor Narcissus op de vlucht zou slaan. En dat maakt het mooi, ethisch gezien welteverstaan – esthetisch spreekt men van krachtig. Het is als een soort spiegel waarin men zichzelf herkent. Niet op basis van externe kenmerken, maar door de suggestie van de sporen van het leven: het toont je de binnenkant.

Willem Elias

Excuses voor deze wat persoonlijke aanhef, maar alle werken die in het cultureel centrum van Sint-Truiden samen een prachtige tentoonstelling uitmaakten, hebben dezelfde relatie met hun geportretteerde, hoe divers de persoonlijkheden en hun levenslopen ook zijn: The survivor, The Painter, The Mother, The Architect, The Genius, The Psychiatrist,… Deze namen en de sfeer van de werken doen denken aan de (zeer invloedrijke) meesterfotograaf August Sander, die het overmoedige idee had opgevat een bijna antropologische typologie van de mens van de 20ste eeuw in beeld te brengen. Door er overigens een tijdsperiode aan te verbinden, kreeg het geen bloed- en -bodem-geurtje, tot grote spijt van de nazi-ideologen waarmee hij het aan de stok kreeg. Er zat ook geen hiërarchie in, daarentegen benadrukte hij de verscheidenheid in de eenheid. Iets gelijkaardigs vindt men terug bij Peter Weidenbaum. Zijn personages zijn universeel en ook tegelijk zo bijzonder. De merkwaardige psychiater Dirk De Wachter, die het leed van zijn patiënten in de wallen onder de ogen meedraagt. De ‘acteur der acteurs’ Julien Schoenaerts, die meer Socrates werd dan de ik-weet-dat-ik-niet-weet-wijsgeer zelve. De architect die zich over de broosheid van zijn vak bezint door met kaarten huisjes te spelen. Paul Gijsemans verbouwde zijn huis en werd zo ‘de’ architect. De moeder van alle tijden, gebeeldhouwd door de zorgelijkheid, maar toch de zijne. De schilder zelf dan, als zelfportret met gesloten ogen, zoals op de bekendste foto van René Magritte. Zijn kunstenaars ziende blind, omdat ze de werkelijkheid niet volgen? Of zijn ze blinde zieners, omdat ze nieuwe werkelijkheden maken, als tekens aan de wand?

 

De niet te verstoppen trekken van de Weidenbaumstam zijn deze van de grootvader die de ellende van WO II overleefde: Jozef Egon Weidenbaum werd vanaf 13 mei 1941 opgesloten in de gevangenis van Antwerpen en op 10 juni 1941 door de Oberfeldkommandantur veroordeeld voor ‘Brits-gezindheid’. Via het fort van Breendonk en de Dossinkazerne kwam hij in 1942 in Auschwitz-Birkenau aan. Hij overleefde een dodenmars naar Mauthausen in januari 1945 en belandde vervolgens in het kamp Gusen, waar hij op 5 mei 1945 door het Amerikaans leger werd bevrijd. Vier jaar krijgsgevangenschap… men kan het zich niet voorstellen. Peter ploos het allemaal nauwgezet uit in archieven. Het verleden van zijn familie laat hem niet los, gevoed door twee foto-albums die zijn vader hem kort voor zijn dood toevertrouwde.

 

Hier is sprake van een intermezzo, zowel in zijn leven als in zijn oeuvre. Even een stilte, op adem komen. Even terugblikken en rondom zich kijken. Drie werelden komen samen: zijn voorouders, zijn vrienden en zijn nageslacht – heden, verleden en toekomst. Want inderdaad: naast de weemoed van het te vage zwerven van zijn voorgangers, en naast zijn reeds door de tijd getekende tijdsgenoten, zeg maar de mijlpaal-vrienden, zijn er tot slot ook de kinderen, weliswaar in een heel ander coloriet geschilderd: een en al vrolijkheid. Zijn onbezonnen zoon experimenteert met zijn opwellende passies. Zijn twee puberende dochters fladderen doorheen het blindemanspel dat de toekomst is. Onzekerheid alom.

 

2015, The genius Julien Schoenaerts as Socrates, 65 x 95 cm

 

Er zijn in zijn werk voorlopers van deze zelf-reflectieve, karakter-bestuderende portretten te vinden, al vormen ze doorheen zijn oeuvre uitzonderingen. Met deze wat zwaar op de hand liggende omschrijving bedoel ik dat hij diepteportretten schildert die hem bewust maken van zichzelf en het leven rondom. Wie onder ons het existentialisme nog op school bestudeerde, mag alles wat hij nog weet over het zelf en hoe men dat leert kennen via de andere er aan vastknopen. Inderdaad: Sartre, Levinas, Camus, Ricoeur,… Ik moet bekennen dat doorheen Weidenbaums vormevolutie die uitzonderingen me zelfs wat stoorden, als vreemde eenden in de bijt. Kunstcritici plegen dit soort werk te elimineren met de dooddoener: ‘anekdotisch’. Maar als men ze in een tentoonstelling alle tezamen ziet hangen, is het geen uitzondering meer, maar de regel van een intermezzo waar men niet naast kijken mag.

 

Ze vallen des te meer op, omdat Weidenbaum doorgaans bezig is met de buitenwereld. Hij bezielt die buitenwereld wel, of beter: hij vraagt zich af wat die buitenwereld bezielt. Hiermee doelt hij niet op animistische geesten in het spel, maar de on(be)grijpbaarheden van de buitenwereld, die we nochtans kennen via de dagelijkse omgang. Het bos waarvan men begrijpt dat het de biotoop is van de sprookjesbeelden. De schietschans die je laat voelen wat het is om prooi te zijn. De stad waarin men niet wil wonen. De autocrash die ons laat beseffen dat niet elke coïncidentie een aangename ontmoeting is via een gelukkig toeval. De mediajournalistiek die het gebeuren onwezenlijk verwringt tot wat het zeker niet geweest is. Plantachtigen die afgunstig lijken van hun vleesetende soortgenoten. Tafellakens die je doen verslikken zonder slokken. Undergrounds waar je niet alleen door durft. Verlichte villa’s waar het feestje allang voorbij is. En deze opsomming van thema’s kan nog even doorgaan…

 

Het is duidelijk dat het over de buitenwereld gaat. Zelfs het portret van curator Sven Vanderstichelen die mijmerend bij een pot Vrouwentongen staat, ‘Thinking about Spilliaert’, roept de geest op van een buitenwereld die hem kwelt. Deze bekommernissen leest men op het gelaten zelf van de portretten die hij in het cultureel centrum van Sint-Truiden samenbracht. Twee schilderijen springen naar voor in deze rondedans der getormenteerden. In ‘The Cake’ lopen kinderen toe op een cake om er van te smullen. Opmerkelijk is dat geen van allen oog heeft voor de andere. Binnen deze tentoonstelling doet de aanwezigheid van dit werk dienst als metafoor om de gehangen geportretteerden te confronteren met hun egoïsme. Akeliger wordt het nog wanneer men ook ‘Poerim’ in de kring opneemt. ‘Poerim’ is een Joods feest. ‘Poer’ betekent ‘lot’, een feest dus dat het toeval viert – toeval dat in twee richtingen kan gaan. Aanleiding is een foto uit vaders album. De kans dat de spelende kinderen hun (nood)lot naar een concentratiekamp leidde, is groot. De verkleedpartij wordt grimmig, zoals ook een carnaval kan verdraaien in onvrolijkheid. Alle geportretteerden nemen deel aan deze dodendans.

 

Thinking about Spilliaert, 70 x 100 cm

 

De collectieve naam die al eens valt voor dit soort werk is ‘The Stranger’ en daarmee wordt geen lid van de Antwerpse smartlapgroep bedoeld. Eerder: ‘L’étranger’ van Albert Camus, waarin de thematiek aan bod komt van het ‘geleefd worden’ door wat er rondom gebeurt. Ook in de zin van het wat in onbruik geraakte begrip ‘vervreemding’, de overeenkomst tussen binnen- en buitenland die zoek is. We leven naast elkaar, en hoe diep onze zoektocht naar onszelf ook is: vanuit de blik van de ander lijkt dit oppervlakkig. De omgeving is genadeloos.

 

In een titel van zijn werk viel reeds de naam ‘Spilliaert’ en dat is geen toeval. Peter Weidenbaum gebruikt zelf de naam die ik voor dit soort schilderkunst voorstelde, namelijk neo-symbolisme. Spilliaert was een symbolist en een grote inspiratiebron voor een hele generatie kunstenaars, schilders, waar ook fotografen en videokunstenaars niet aan ontsnapten. Het gaat om de poging objecten en menselijke figuren niet in hun realiteit weer te geven, maar er een bepaalde betekenis aan toe te voegen die dan als symbolisch kan begrepen worden. Deze symboliek wordt gevoed door existentiële vragen zoals die reeds in de negentiende eeuw door Kierkegaard aangegeven werden. Dergelijke attitude werd hernomen in het tijdperk van de ‘neo’s’, sinds de jaren negentig, waarin als verderzetting van het hyperrealisme de fotografie als belangrijk tussenmedium bekeken wordt. Weidenbaum werkt voortdurend met foto’s die hij al dan niet op computer bewerkt. Zo bevriest hij momenten vast die onze aandacht trekken en vragen oproepen.

 

 

Behalve het alluderen op onze tijdsgeest, is Weidenbaum ook met de vorm bezig. ‘Een schilder moet schilderen’ is zijn adagio. En dat doet hij. Het is boeiend om zien wat hij met wat ogenschijnlijke losse floddervlekken vermag. De intensiteit van zijn werken blijft versterken, evenals de complexiteit ervan. 

 

2014, The painter, 70 x 90 cm

 

Peter Weidenbaum

 

Reflections of another mind

Tot 1 maart 2016

CC de Bogaard

Sint-Truiden

Works on paper

Deze expo liep van 23 januari tot 21 februari in de Anouk Vilain Art Gallery

 

Peter Weidenbaum

Galerie Bernaers, Antwerpen

November 2016

 

 

www.weidenbaum.be