Koning van de opera

Giacomo Puccini
Opera
Madama Butterfly

 

Gedoemd om de muziek in te gaan werd Giacomo Puccini de koning van de Italiaanse opera. Manon Lescaut en Madama Butterfly waren zijn eerste en zijn laatste grote succes. Het verhaal van een succesvol, maar ook tragisch leven.

Marnix Verplancke

Toen Giacomo Puccini op 23 december 1858 in Lucca ter wereld kwam, lag al vast welke carrière hij zou volgen. Sinds de eerste helft van de 18-de eeuw zaten de Puccini’s in de muziek, als componisten, organisten en dirigenten van in hoofdzaak kerkmuziek. Veel meer dan middelmatig waren ze nooit geweest, maar dat hoefde ook niet in de stadstaat die Lucca was. Doordat Giacomo het vijfde kind in het gezin was en pas de eerste jongen, kwam er extra veel gewicht op zijn schouders te liggen. De muziekwereld was een mannenwereld, wisten de Puccini’s, dus Giacomo was hun enige troef. En de kleine Giacomo had inderdaad een muzikale gave, al was dat volgens zijn toenmalige leraars dan ook zijn enige gave.

 

Het lag dus voor de hand dat Puccini in Milaan naar het conservatorium zou gaan, waar hij in de Scala kennismaakte met de grote opera. Over zijn studententijd doen de wildste verhalen de ronde, ook omdat een van zijn grootste successen, La Bohème, zich in het studentenmilieu afspeelt en de link met zijn eigen verleden daarom snel werd gelegd, iets wat Puccini trouwens zelf graag aanmoedigde.

 

Tot het midden van de 19-de eeuw was opera in Italië een veredeld soort kermismuziek: recitatieven afgewisseld met meezingers. Bellini, Rossini en Donizetti stegen soms eens boven dat niveau uit, maar het was toch wachten op Verdi voor de Italiaanse opera echt weer ging meetellen in Europa. Hij liet recitatieven en aria’s in elkaar overlopen, gaf een echte rol aan het koor en werkte vaker met ensembles. Samen met een studievriend betaalde Puccini 150 lire voor de partituur van Wagners Parsifal. Wat een muziek, besefte hij, en hij zou heel zijn leven blijven dromen van het moment waarop hij ook iets dergelijks zou kunnen componeren.

 

Op 14 juli 1883 werd Puccini’s afstudeerwerk opgevoerd en het was een succes. De kranten hadden niets dan lof en omdat Giacomo besefte dat hij het ijzer diende te smeden terwijl het heet was, keerde hij niet meteen terug naar Lucca. Hij bleef in Milaan hangen, werd door een vriend meegesleurd naar diens vakantiehuis en kreeg daar de inspiratie voor zijn eerste opera, Le Villi. Hij haalde er de Scala mee – wat toch een grote eer was voor een onbekend componist – maar doordat de opera nog geen uur duurde reageerden zowel publiek als kritiek teleurgesteld. Ook zijn tweede opera, Edgar, werd geen succes.

 

Voor dat succes zou hij moeten wachten tot zijn derde opera: Manon Lescaut. De Franse schrijver Abbé Prévost had in 1731 een novelle gepubliceerd: Histoire du chevalier Des Grieux et de Manon Lescaut. Massenet had ze in 1884 tot een opera bewerkt. Puccini zag meteen een nieuw project. Die stijve Fransman had er niets van begrepen, meende hij. Hij had het verhaal van Prévost veel te statisch neergezet. Het was al sierlijke bewegingen en rokkengefluister wat de klok sloeg, terwijl het gegeven van Manon nood had aan een flinke portie Italiaanse passie. En die zou hij erin steken. Librettist Marco Praga voorzag vier akten. In de eerste zou Des Grieux Manon ontmoeten. De tweede zou in het armzalige huisje spelen waar de twee geliefden woonden. Manons broer zou op bezoek komen en haar overhalen de arme Des Grieux in te wisselen voor een rijke minnaar en een luxueus, zij het liefdeloos leven. In de derde akte zou de inmiddels in luxe levende Manon Des Grieux opnieuw ontmoeten, zou ze beseffen dat haar liefde voor hem toch belangrijker was dan enige maatschappelijk welstand en zouden de twee proberen vluchten. Tevergeefs echter. In de vierde akte zou Manon sterven in een Amerikaanse woestijn. Puccini worstelde lange tijd met dit gegeven en raakte er maar niet uit. Het was gewoon te veel, en daarom besliste hij om de tweede akte gewoon te schrappen. Hoe zal het publiek nog kunnen volgen, sputterde Praga tegen, maar Puccini had daar een kort en nieuw antwoord op: het zou de ontbrekende verhaallijn zelf moeten invullen. Praga gooide de handdoek in de ring. Uiteindelijk zouden nog zes andere librettisten losgelaten worden op Manon Lescaut, maar Puccini hield voet bij stuk. Die akte ging eruit, en zo componeerde hij de eerste moderne opera uit de geschiedenis: een die net als een film uit losstaande scènes bestaat die de toeschouwer zelf aan elkaar breit.

 

Op 1 februari 1893 ging Manon Lescaut in Turijn in première en het werd een overdonderend succes. Zowel kritiek als publiek waren laaiend enthousiast. Het gemeentebestuur nodigde hem uit in het Grand Hotel de l’Europe, het befaamdste restaurant van de stad, waar hij onder de lof werd bedolven. Puccini’s vriend Alfredo Caselli had een prachtige redevoering geschreven die de componist uit het hoofd had geleerd, maar toen hij het woord kreeg was hij die helemaal vergeten. “Ik dank u… Ik dank u allen,” stamelde hij, waarna hij zijn glas champagne omstootte. Er volgden opvoeringen over de hele wereld, en van de verkoop van de bladmuziek alleen al kon Puccini een luxueus leven gaan leiden.

 

Giacomo Puccini

 

Na Manon Lescaut ging Puccini verder op hetzelfde elan. Hij componeerde La Bohème en Tosca en werd zo een van de bekendste componisten van Europa. Zijn hoogtepunt zou hij echter pas met Madama Butterfly bereiken. Die vorige opera’s waren wel goed geweest, vond hij, maar er ontbrak iets aan: ze stonden te ver van de toeschouwer. Die zat erbij en keek ernaar. Zijn volgende opera zou anders zijn: die zou het publiek echt raken. Alleen had hij geen idee waarover die dan wel zou moeten gaan. Hij las heel wat af, legde zijn oor te luisteren bij vrienden, maar niets leek te voldoen. Tot hij in juni 1900 in het Londense Covent Garden de première van Tosca bijwoonde en de raad kreeg het toneelstuk Madama Butterfly van de Amerikaanse schrijver David Belasco te gaan bekijken. Dat was iets speciaals. “Mooi stuk, maar echt niets voor Italië,” reageerde Puccini aanvankelijk, maar hij besefte ook dat Butterfly niet alleen heel hedendaags was, maar het publiek ook echt raakte.

 

Madama Butterfly is het verhaal van de Japanse Cio Cio San die een relatie heeft met een Amerikaan. Nog voor hij weet dat zij zwanger is keert hij terug naar zijn vaderland. Cio Cio probeert met hem in contact te komen en laat hem via de ambassade weten dat hij een kind heeft in Japan. Een tijd later keert Pinkerton, zoals de Amerikaan heet, weer. Cio Cio San is in de wolken. Haar grote liefde is terug. Tot ze ziet dat hij vergezeld wordt door zijn Amerikaanse vrouw en dat hij alleen haar kind komt ophalen om dit in de VS te laten opgroeien. Uit wanhoop pleegt Cio Cio zelfmoord.

 

Niet alleen schrapte Puccini in deze opera opnieuw de tweede akte, hij ging nog veel verder in zijn modernisme – al zou hij natuurlijk nooit een Schönberg of Stravinsky worden. Hij besefte dat hij geen opera kon schrijven die in Japan speelde zonder daar Japanse muziek in te verwerken. Hij ging op zoek naar opnames, maar die bleken niet te bestaan. Dus liet hij er maken. Iemand trok naar Japan, perste een paar grammofoonplaten met opnames van Japanse muziek en stuurde die met de boot terug naar Europa.

 

Op 17 februari 1904 ging Madama Butterfly in Milaan in première en het werd een heus debacle. Vanaf het moment dat het doek opging braken er rellen uit in de zaal. Er werd gefloten, geroepen en getierd. “Bedroefd, maar niet geschokt in mijn zelfvertrouwen, kan ik je zeggen dat het een slachting was,” schreef Puccini in een brief aan een vriend. “Maar mijn Butterfly blijft zoals ze is: het is de meest doorleefde en expressieve opera die ik ooit heb geschreven! Uiteindelijk zal ik zegevieren, let maar op.” En dat deed hij, want de opera bleek zijn ultieme meesterwerk te zijn dat nadien nooit nog ergens op boegeroep onthaald werd.

 

 

Na Butterfly viel Puccini in een leegte. Hij kreeg te maken met zwaarmoedigheid en dacht meermaals aan zelfmoord. Materieel ontbrak het hem aan niets, maar met het componeren leek het niet langer te vlotten. Er volgden nog een paar matig onthaalde opera’s, maar troost vond hij vooral aan boord van zijn jacht, de Cio Cio San, genoemd naar zijn succesvolste personage. In 1924 werd keelkanker bij hem vastgesteld. Hij reisde naar Brussel, waar hij een experimentele radiumtherapie kreeg. Die lukte, maar vier dagen later stierf hij alsnog aan een hartaanval. Zijn lijk ligt opgebaard in zijn huis in Torre del Lago, in een mausoleum, zoals het een koning van de opera betaamt. 

Manon Lescaut en Madama Butterfly zijn respectievelijk op 5 maart en op 2 april 2016 te zien in de vestigingen van Kinepolis, live vanuit de New Yorkse MET.

 

 

https://kinepolis.be/nl/opera-in-de-cinema