Puccini's weg naar Manon Lescaut

Muziek

Giacomo Puccini stamde uit een oud muzikantengeslacht dat vijf opeenvolgende generaties van musici telde. Het werd gesticht door een andere Giacomo Puccini (Lucca, 1712-1781) die onder meer kapelmeester bij de Capella Palatina was en naam maakte als organist, koorleider en componist van kerkmuziek. Zijn zoon Antonio (1747-1831) componeerde vooral kerkmuziek, liet muziektheoretische geschriften na en was de eerste die aanleg voor het operagenre toonde. Domenico Puccini (1771-1815) componeerde de opera Quinto Fabio en werd door sommigen als de rechtmatige opvolger van Cimarosa begroet. Bij zijn dood (men gewaagt van moord omdat Domenico’s liberale ideeën een gevaar vormden voor de Oostenrijkse bezetting) liet hij een weduwe en vier jonge kinderen na waaronder Michele (1813-1864), de vader van Giacomo. Michele was eveneens organist en koorleider en componeerde religieuze en wereldlijke muziek. Twee van zijn opera’s behaalden een zeker succes, maar zijn faam als theoreticus en pedagoog was van veel groter belang. Uit het huwelijk van Michele Puccini en Albina Magi, eveneens een telg uit een muzikale familie, werden acht kinderen geboren waarvan er zeven in leven bleven: vijf meisjes en twee jongens. Giacomo was het vijfde kind en werd geboren in Lucca op 22 december 1858. Hij stierf op 29 november 1924 in Brussel, na een operatie van een kankertumor in de keel.

Erna Metdepenninghen

 

Studies aan het conservatorium van Milaan brachten hem in contact met Amilcare Ponchielli (de componist van La Gioconda) die hem op zijn beurt twee belangrijke kennissen aan de hand deed: de uitgever Giulio Ricordi die later alle Puccini-opera’s (met uitzondering van La Rondine) zou uitgeven en zijn eerste librettist Ferdinando Fontana. Het was inderdaad Fontana die Puccini het libretto bezorgde van Le Villi, waardoor de componist een eenakter kon schrijven om deel te nemen aan een wedstrijd georganiseerd door de Casa Sonzogno. Bij het eindresultaat werd Puccini niet eens vermeld, wat gedeeltelijk te wijten zou geweest zijn aan zijn onleesbaar handschrift, waardoor de jury de partituur nauwelijks bekeken had. Maar dank zij de inzet van vrienden en bekenden beleefde Le Villi een eerste uitvoering in Milaan, tot grote geestdrift van publiek en pers. Daarop nam de bekende uitgever Ricordi Puccini onder contract. Zijn tweede opera Edgar kende echter slechts een beleefd succes, onder meer door het wel heel zwakke libretto. Dit zou een les zijn voor Puccini die achteraf zijn tekstboek telkens met de grootste zorg uitkoos en zich steeds het recht voorbehield het te weigeren of er de nodige veranderingen in aan te brengen.

 

Voor zijn derde opera greep Puccini terug naar L’histoire du chevalier Des Grieux et de Manon Lescaut van Abbé Antoine-François Prévost (1697-1763), een werk dat onder meer reeds de basis had gevormd voor de opera Manon van Massenet uit 1884 en het verhaal vertelt van de lichtzinnige Manon die heen en weer geslingerd wordt tussen haar liefde voor de arme edelman Des Grieux en haar verlangen naar een leven vol luxe. Daardoor zal ze bewust of onbewust haar minnaar ten gronde richten en uiteindelijk ook haar eigen ondergang veroorzaken. Een dankbaar verhaal dat zich voor Puccini echter moeilijk tot een gepast operalibretto liet omwerken. De eerste stap werd gezet door Ruggero Leoncavallo, die op dat moment nog twijfelde tussen een carrière als dramaticus of operacomponist en later vooral bekend zou worden door zijn opera Pagliacci (1892). Puccini was niet tevreden over zijn werk en deed een beroep op de toneelschrijver Marco Praga. Aan hem gaf hij de opdracht zoveel mogelijk gelijkenissen met Massenets Manon te vermijden en zich in de eerste plaats op de roman te baseren. Praga, die voornamelijk proza schreef, stelde de medewerking voor van Domenico Oliva om de tekst in verzen om te zetten, maar na verloop van tijd vielen zowel Praga als Oliva in ongenade. Ricordi riep tenslotte de hulp van Giuseppe Giacosa in, die op zijn beurt Luigi Illica erbij haalde en dat leverde Puccini het duo op met wie hij later zijn populaire opera’s La Bohème, Tosca en Madama Butterfly zou schrijven. Maar voor Manon Lescaut betekende dat nog niet het einde van de lijdensweg. Leoncavallo werd nog eens aangesproken en zelfs Giulio Ricordi en Puccini zelf leverden enkele regels tekst. Zo werd het libretto uiteindelijk dan toch afgewerkt.

 

Achteraf beschouwd zou Praga’s libretto waarschijnlijk een coherenter verhaal hebben opgeleverd waarin de verschillende stadia van de relatie tussen Manon en Des Grieux en hun uiteindelijke ondergang geleidelijker werden beschreven. In het libretto van Manon Lescaut springt men bijvoorbeeld onmiddellijk van de eerste ontmoeting tussen Manon en Des Grieux naar het toneel waar ze de maîtresse van de oude Géronte is, zonder de prille idylle in Parijs te schilderen. Anderzijds is het ook erg moeilijk uit de opera op te maken waarom Manon en Des Grieux in het laatste bedrijf in de onherbergzame vlakte rond New Orleans ronddolen. Ze waren immers gevlucht omdat Des Grieux meende de neef van de gouverneur van Louisiana, die een begerig oog op Manon had laten vallen, in een duel gedood te hebben.

 

 

Puccini werkte ruim drie jaar aan Manon Lescaut, de periode van de moeizame geboorte van het libretto meegerekend. De partituur was klaar in oktober 1892. Zoals hij wel meer deed, gebruikte hij materiaal uit vroegere composities. Zo vinden we onder meer het Agnus Dei uit de Messa di Gloria uit 1880 terug in het madrigaal van het tweede bedrijf, terwijl de elegie uit Crisantemi uit 1890 in het derde en vierde bedrijf verwerkt werd. Aangezien de Scala bezet was door de repetities voor Verdi’s Falstaff koos Ricordi het Teatro Regio in Turijn voor de première. Die vond plaats op 1 februari 1893 met Cesira Ferrani (Manon), Giuseppe Cremonini (Des Grieux), Achille Moro (Lescaut) en Alessandro Polonini (Géronte), onder de muzikale leiding van Alessandro Pomè. Pers en publiek waren wild enthousiast en zo werd Manon Lescaut Puccini’s eerste en enige niet gecontesteerde triomf van zijn carrière. Bijna onmiddellijk na de première veranderde Puccini, op suggestie van Illica, de finale van het eerste bedrijf en die nu algemeen uitgevoerde versie was voor het eerst te horen in de Scala van Milaan op 7 februari 1894.

 

Toen Puccini zijn uitgever Ricordi liet weten dat hij van plan was een Manon Lescaut te componeren, probeerde die hem op andere gedachten te brengen omdat er reeds de succesvolle opera van Massenet was die weliswaar op dat moment nog niet in Italië was opgevoerd. Maar Puccini liet zich niet van zijn stuk brengen en verklaarde: “Manon is een heldin waarin ik geloof en bijgevolg kan ze niet anders dan de harten van het publiek winnen. Waarom zouden er geen twee opera’s aan haar gewijd zijn. Een vrouw als Manon kan meer dan één minnaar hebben”. Aan een van zijn librettisten schreef de componist: “Massenet voelt dit onderwerp aan als een Fransman, met poeder en menuetten. Mij trekt de passie, de wanhopige passie aan.” Alles samen is dit een vrij goede omschrijving van enkele van de karakteristieke verschillen tussen beide opera’s. Uiteindelijk liet Puccini in het tweede bedrijf ook poeder en menuetten aan bod komen, maar voor het overige bestaat de opera voornamelijk uit een reeks wanhopige, gepassioneerde duetten. Schijnt Puccini in Manon Lescaut naast zijn protagonisten de andere partijen enigszins te verwaarlozen, dan besteedde hij speciale aandacht aan het orkest dat erg gevarieerd wordt ingezet en subtiel gekleurd werd. En hij gaf het een ‘solonummer’, een intermezzo tussen het tweede en derde bedrijf. Verdi was niet erg te spreken over het procedé om ‘symfonische schijfjes’ in een opera in te lassen, maar Mascagni’s Cavalleria Rusticana uit 1890 maakte het opera-intermezzo populair en het werd bijna een conditio sine qua non voor de veristische opera. Niet dat Manon Lescaut tot het ‘verismo’, dit Italiaans muzikaal realisme, kan gerekend worden. Daarvoor heeft de partituur te veel impressionistische trekjes en finesses. In ieder geval vestigde Manon Lescaut definitief Puccini’s naam en openbaarde het zijn grote melodische gave. Na de Londense première in 1894 verkondigde Bernard Shaw dat Puccini onder de Italiaanse componisten de meest voor de hand liggende erfgenaam van Verdi was. In de daaropvolgende jaren zou hij tot de waarschijnlijk populairste componist van zijn generatie uitgroeien, een populariteit die hij in de tweede helft van de twintigste eeuw met heel wat scepsis en zelfs afwijzing heeft moeten bekopen. Wat niet wegneemt dat zijn opera’s kaskrakers blijven.

 

Manon Lescaut is de eerste belangrijke vrouwenfiguur rond wie Puccini een opera opbouwde. “Ik ben slechts een arm, klein meisje, onbetekenend en voor niets goed”. Dat zegt Minnie over zichzelf in La fanciulla del West, Puccini’s zevende opera. Die omschrijving typeert eigenlijk de meeste Puccini-heldinnen. In zekere zin lijken ze allemaal op elkaar maar kregen ze elk een welbepaald, individueel profiel. Wat ze gemeen hebben, is het feit dat dat ze niet echt een plaats in de maatschappij hebben. De ‘lichte meisjes’ zijn het talrijkst: Manon (Manon Lescaut), Mimi en Musetta (La Bohème), Cio-Cio-San (Madama Butterfly) en Magda (La Rondine). Dan is er Liu (Turandot), een slavinnetje en dus een minderwaardig schepsel. Tosca is weliswaar een gevierde zangeres maar ze ‘leeft in zonde’ met Cavaradossi. Bovendien is ze een kunstenares en dus verdacht in de ogen van de conventionele bourgeoisie. En wat te zeggen van Minnie (La fanciulla del West), zuiver en edel, maar die omgaat met ruwe goudzoekers en bij het kaarten bewust vals speelt? Giorgetta (Il Tabarro) komt uit een weinig voorname Parijse voorstad en bedriegt haar man. Angelica (Suor Angelica), de kloosterzuster, is weliswaar van adel maar bezoedelde het blazoen door een buitenechtelijk kind op de wereld te zetten. Geen enkele van hen kan aan Albina Magi tippen, de moeder die Puccini zo vereerde en die op 33-jarige leeftijd weduwe geworden was, met zeven kinderen. Puccini had een zeer sterke band met zijn moeder over wie hij altijd met grote tederheid sprak en het is zeker dat hun hechte relatie de psychologie van de kunstenaar Puccini heeft beïnvloed. Maar het is misschien omdat die meisjes en vrouwen zijn wie en wat ze zijn dat Puccini van hen hield, zich in hun leefwereld kon verplaatsen en voor hen zijn meest geïnspireerde muziek kon schrijven. Liu is misschien wel de ultieme expressie van het Puccini-ideaal: de nederige, onzelfzuchtige, loyale, onderdanige maar (indien uitgedaagd) moedige liefde.

 

 

Manon Lescaut is een opera in vier relatief korte bedrijven die samen ongeveer twee uur duren. Zoals onder meer blijkt uit een brief van Puccini aan Illica uit 1903, heeft hij er meer dan eens aan gedacht er nog een extra bedrijf aan toe te voegen om daarin het geluk van de jonge geliefden in Parijs te schilderen. Op die manier wou hij de kloof tussen de bestaande eerste en tweede acte overbruggen en een vollediger beeld van de figuur van Manon schetsen. Maar hij wist niet hoe hij dat bedrijf op een originele manier zou kunnen doen eindigen en zag tenslotte volledig van dit plan af. Dus bleven het vier bedrijven die zich respectievelijk in Amiens, Parijs, Le Havre en rond New Orleans afspelen.

 

In Amiens ontmoet de jonge, mooie en frivole Manon die door haar broer Lescaut naar een klooster wordt gebracht, de jonge edelman Des Grieux. Die heeft in een spottende serenade de schoonheid van enkele meisjes bezongen, Tra voi belle, brune e bionde, maar wordt bij de eerste oogopslag onmiddellijk verliefd op Manon, Donna non vidi mai. Hij vraagt haar hem later te ontmoeten en vlug worden hun gevoelens voor elkaar duidelijk Vedete? Io son fedele. Ze maken gebruik van het rijtuig van de oude, rijke Géronte de Ravoir die Manon wou ontvoeren, om samen naar Parijs te vluchten.

 

In Parijs heeft Manon vrij vlug de liefde van de arme Des Grieux ingeruild voor een luxeleventje als de maîtresse van Géronte. Maar de kille pracht en rijkdom wegen niet op tegen het geluk en de warmte die ze in een zolderkamertje met Des Grieux beleefde In quelle trine morbide. Dans- en zanglessen, L’ora, o Tirsi, veranderen daar niet veel aan en Lescaut besluit dat het tijd wordt dat Des Grieux zijn opwachting maakt. Manon ontvangt hem hartstochtelijk, Tu, tu? Amore tu?, maar ze worden betrapt door Géronte die door Manon belachelijk wordt gemaakt. Des Grieux smeekt Manon met hem te vluchten, maar zij wil eerst nog haar juwelen bij elkaar zoeken, Ah, Manon, mi tradisce il tuo folle pensiero. Géronte keert terug met de politie en beschuldigt Manon van diefstal. Ze wordt aangehouden.

 

Een orkestraal intermezzo schildert de gevoelens van Des Grieux tijdens Manons gevangenschap en de tocht naar Le Havre. In de haven wacht het schip dat gevangenen en vrouwen van lichte zeden naar Louisiana moeten brengen. Lescaut kan een kort gesprek tussen Des Grieux en de gevangen Manon regelen, maar haar geplande ontvoering mislukt. Ze moet aan boord, de wanhopige Des Grieux poogt dit te verhinderen en smeekt uiteindelijk de kapitein om haar te mogen vergezellen, No! Pazzo son! Guardate! De kapitein stemt toe.

 

In de buurt van New Orleans strompelen Des Grieux en een volledig uitgeputte Manon door een woestijnachtig gebied. Des Grieux laat Manon rusten en gaat op zoek naar hulp en water. Manon heeft angstvisioenen, Sola, perduta, abbandonata, en wanneer Des Grieux onverrichterzake terugkeert, sterft ze in zijn armen.

 

Manon Lescaut

Giacomo Puccini

 

24, 25, 26, 27*, 29 en 30 januari 2013, 20u00, *15u00

1, 3*, 5, 6 en 8 februari 2013, 20u00, *15u00

 

Carlo Rizzi, muzikale leiding

Mariusz Trelinski, regie

Boris Kudlicka, decors

Magdalena Musial, kostuums

Felice Ross, belichting

Bartek Macias, Video & LED design

Piotre Gruszczynski, dramaturgie

Tomasz Wygoda, choreografie

Matrino Faggiani, koorleiding

 

Manon Lescaut:

Eva-Maria Westbroek
Amanda Echalaz

 

Lescaut:

Aris Argiris

Lionel Lhote

 

Il Cavaliere

Renato Des Grieux:

Brandon Jovanovich

Hector Sandoval

 

Geronte de Ravoir:

Goivanni Furlanetto

 

Edmondo:

Julien Dran

 

Il Maestro di Ballo

& Un Lampionaio:

Alexandre Kravets

 

Un sergente:

Guillaume Antoine

 

Un Musico:

Audrey Kessedjian

 

L’Oste:

Guillaume Antoine

 

Coro del Madrigale:

Amalia Avilan

Anne-Fleur Inizian

Camille Merckx

Julie Mossay