Uit de boeken

4 kunstboeken op de weegschaal
Beeldende Kunsten

Kunstboeken hebben de meest uiteenlopende vormen: van handzame niemendalletjes tot formaten waarvoor je een bijzettafeltje nodig hebt. Van betaalbaar tot schandalig duur. Van bescheiden tot hyperambitieus. Van wetenschappelijk tot populair. Enkele boeken uit de oogst van 2012 werden voor u gewikt en gewogen.

Matthias Depoorter

 

Kunstboeken komen niet enkel voor in alle mogelijke vormen, ze zijn ook bedoeld voor verschillende doelgroepen. Leken zullen bepaalde academische boeken nooit lezen: gortdroog cijfermateriaal, boeken vol natuurwetenschappelijke weetjes waarvan men zich de vraag stelt wat de zin van dit alles is. Kortom: weinig opwindend voor wie niet thuis is in die specialistische materie. Diezelfde gegevens zijn nochtans idealiter de stof voor het gevulgariseerde werk.

 

Gedegen wetenschappers zijn niet altijd de beste vertellers en omgekeerd zijn geboren verhalenvertellers niet altijd de meest betrouwbare historici. Nochtans is het belangrijk om kennis op een adequate manier over te brengen, en om met exact datamateriaal een boeiend verhaal te smeden. Informeren is het doel, maar het is nog belangrijker om mensen te prikkelen.

 

Ik bespreek een boek dat hoofdzakelijk de kunst zelf via beelden laat spreken (Van Eyck in detail), een zuiver wetenschappelijk werk (The Brueg(h)el Phenomenon), een boek dat zich in het meer gevulgariseerde kamp bevindt (Leonardo en het Laatste Avondmaal) en het eigenzinnige relaas van een kunstcriticus (Wijd open ogen). Maar eerst iets over het onvermijdelijke Lam Gods.

 

 

Closer to van Eyck

 

In 2010 trokken wetenschappers aan de alarmbel. De integriteit van het Lam Gods stond plots op het spel. Het klimaat in de ijzeren kooi in de Villakapel, sinds 1986 de verblijfplaats van het veelluik in de Gentse Sint-Baafskathedraal, bleek al jaren niet meer te voldoen aan de voorschriften. Een van de redenen hiervoor was het vervangen van de oorspronkelijke lampen in de kooi door exemplaren die meer warmte afscheiden. De daaropvolgende temperatuurschommeling zorgde voor een veranderde luchtvochtigheid die de picturale lagen deed krimpen en uitzetten. De verfopstuwingen die daar het gevolg van waren, moesten dringend gestabiliseerd worden, wilde men niet dat minuscule verfdeeltjes zouden afbladderen.

 

Zelden, of het moet na de diefstal van De rechtvaardige rechters in 1934 zijn, mocht het Lam Gods op een dergelijke belangstelling rekenen. Tientallen jaren van stilte werden verbroken omwille van de gezondheidsproblemen van het stuk. Het Lam Gods werd noodgedwongen een patiënt. Fondsen werden in 2010 vrijgemaakt om de toestand op te meten en een urgente conservatiebehandeling uit te voeren. Sinds 2 oktober 2012 is de echte restauratiecampagne die 5 jaar in beslag zal nemen, van start gegaan. In de slipstream van de check-up in 2010 ontstond de website Closer to van Eyck. (closertovaneyck.kikirpa.be) Alle beeldmateriaal en een substantieel deel van de wetenschappelijke onderzoeksresultaten worden op de site vrijgegeven. Nooit eerder was de openheid van geest zo groot. Doorgaans schermen kunstwetenschappers hun onderzoeksmateriaal behoedzaam af. Laat dit een voorbeeld zijn.

 

Intussen gaat het restauratieproces gestaag verder in het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Bij de laatste restauratiecampagne die in 1950-51 onder leiding van Paul Coremans werd uitgevoerd, konden omwille van tijdsdruk niet alle vernislagen weggehaald worden. Vandaag zijn vernislagen uit verschillende periodes aanwezig, sommige dateren waarschijnlijk uit de negentiende eeuw of zijn misschien nog ouder. Lagen met harshoudende vernis die nog in de jaren 1950 werd gebruikt, moeten verwijderd worden want zij vergelen en worden harder na verloop van tijd, waardoor de picturale laag mogelijk aangetast wordt. Het wegnemen van de verdonkerde vernislagen heeft zeer concrete gevolgen voor de esthetiek. Het valt nog af te wachten hoe groot het verschil uiteindelijk zal zijn, maar goed mogelijk dat we een iets ander Lam Gods zullen verwelkomen. Ook hierdoor komen we een stukje dichter bij de van Eycks.

 

Restaureren is een aartsmoeilijke taak, maar het grote struikelblok wordt straks de discussie over de standplaats van het veelluik. Voldoet de Villakapel nog? In het Caermersklooster in Gent verzorgt men de educatieve ondersteuning bij de restauratie. Een goede zaak, maar wat als de restauratiecampagne voorbij is? Dat het educatieve luik en het kunstwerk zelf niet onder 1 dak worden gebracht, is hinderlijk. Na de campagne moeten de veiligheid en conservatieomstandigheden van het Lam Gods optimaal zijn, en moet men kiezen voor een permanente educatieve ondersteuning.  

 

 

Van Eyck in detail

 

Relatief vroeg in de vijftiende eeuw veranderden de van Eycks, en met name Jan van Eyck (1385/90-1441), voorgoed het uitzicht van de westerse schilderkunst. Aan die tour de force werd al veel inkt verknoeid en menig kunstwetenschapper brak er het moegetergde hoofd over. Daarom is het niet gek om, nu de fotografie van een bijzonder hoogstaand niveau is, de beelden, vergezeld van wat commentaar, te laten spreken. Dat is precies wat kunstwetenschappers Annick Born en Maximiliaan Martens, verbonden aan de Universiteit Gent, in Van Eyck in detail doen.

 

Volstaat het dan niet om naar de website Closer to Van Eyck te surfen? Neen, eigenlijk niet. In het boek wordt ten eerste het hele oeuvre van van Eyck gedetailleerd behandeld. Hierbij zijn de summiere teksten slechts richtinggevend, waardoor de weergaloze foto’s schitteren. Vaak gaat het om van Eyck zoals je hem nog nooit gezien hebt. Ook de belevenis is anders. Foto’s in boeken hebben een andere uitwerking dan die op een website.

 

De auteurs starten met een bondige biografie in een no-nonsense stijl. Men zou kunnen denken dat die biografie al te kort is, maar echt veel meer weten we niet over de Gebroeders van Eyck. Hubert (Ca. 1380/85-1426) is niet veel meer dan een voetnoot, nochtans stelt het beruchte kwatrijn op het Lam Gods dat een groter man dan hij niet bestond, en dat zijn jongere broer Jan in de ranglijst na hem kwam. Boven Huberts graf was volgens de Gentse humanist Marcus van Vaernewyck (1518-1569) een reliekhouder met een bot uit zijn bovenarm te zien. Die bovenarm, waarmee hij naar verluidt weergaloos kon schilderen, was na meer dan een eeuw nog niet vergeten. Vandaag valt over zijn kunst weinig zinnigs te zeggen. Daar brengt dit boek geen verandering in, het behoort ook niet tot het opzet. Toch lijkt de recente restauratiecampagne van het Lam Gods de oude hoop te doen herleven om die grote kunsthistorische puzzel op te lossen.

 

Na de biografische notitie overlopen de auteurs alle gekende werken chronologisch. Ze worden vergezeld van een bondige uitleg over de attributie en een iconografische verklaring. Daarna volgt het echte werk met uitgekiende detailfoto’s die de thema’s  “Het goddelijke”, “De mens”, “Natuur”, “Architectuur”, “Dagelijks leven” en “Tactiliteit” illustreren. Waarom Luc Tuymans zijn voorwoord begint met de stelling dat het werk van Rubens hem geen snars interesseert, is onduidelijk. Het doet ook niet ter zake. Iets verder is Tuymans wel bijzonder poignant: “Zijn zin voor detail (…) is verpletterend.” Of: “Als Belgisch schilder werkt dit behoorlijk traumatiserend en dreigt je te verlammen. Om eerlijk te zijn, ontneemt het je zelfs de zin om te beginnen schilderen. (…) we hebben het over de beste schilder ooit.” We kunnen discussiëren over de deugdzaamheid van hiërarchische lijstjes, maar een dergelijke uitspraak van een belangrijke hedendaagse schilder zegt soms meer dan een hele bibliotheek.

 

 

The Brueg(h)el phenomenon

 

In The Brueg(h)el Phenomenon ontleden Christina Currie (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK)) en Dominique Allart (Université de Liège) in drie volumes de schildertechniek van Pieter (I) Bruegel en zijn oudste zoon Pieter (II) Brueghel. Het is alweer een voortreffelijke studie van het KIK. Het studiecentrum aan het Jubelpark in Brussel geniet van het niet te onderschatten voordeel om voldoende tijd te kunnen uittrekken voor dergelijke breed opgezette studies. Bijkomende factor is het multidisciplinaire karakter van het centrum: mensen uit alle kunstwetenschappelijke disciplines vinden er onderdak.

 

Men neemt veel werken onder de loep en beschrijft die bijzonder uitvoerig. Van de afkomst van het hout van de panelen of de ouderdom van het canvas tot alle mogelijke details van de voorbereidende lagen en de schildering zelf. Daarbij komt een schat aan macrofoto’s, infrarood beeldmateriaal, infraroodreflectogrammen, doorsneden van verfmonsters en tutti quanti (samen met de bijbehorende DVD meer dan 1000 foto’s). Dit is zonder meer indrukwekkend. Het is bijvoorbeeld genieten van het beeldmateriaal van De preek van Johannes de Doper (Szépmüvészeti Múzeum, Boedapest). Pieter (I) Bruegels techniek is ronduit meesterlijk: krassen in het impasto bootsen het reliëf van stoffen na. Velen kunnen iets opsteken van zijn economie van middelen. Het is ook schrikken van de fragiele staat van bepaalde werken, mede in de hand gewerkt door Bruegels zeer dun aangebrachte verf.

 

Bruegels beste epigoon bleek zijn oudste zoon Pieter (II) te zijn. Honderden kopieën kwamen uit het Brueghelatelier. Alleen al Winterlandschap met schaatsers en vogelknip (KMSKB, Brussel) werd in het atelier van Pieter (II) Brueghel circa 45 keer gekopieerd. De onderzoekers van het KIK vroegen zich af hoe de zoon het klaarspeelde om bijna exacte kopieën te vervaardigen terwijl vele van de voorbeelden verspreid waren over Europa. Door zich af te vragen hoe de zoon de vader kopieerde, kwamen ook aspecten van de modus operandi van de vader aan het licht. Volume 3 tackelt onder meer de twee versies van De val van Icarus (KMSKB, Brussel; Collectie van Buuren, Ukkel). Wat eigenlijk al langer geweten was, wordt omstandig beargumenteerd, namelijk dat dit geen originele werken van Pieter (I) Bruegel zijn. Men gelooft daarenboven ook niet dat ze van de hand van Pieter (II) Brueghel zijn. De studie herleiden tot deze ‘doorbraak’ is een beetje ridicuul en werkt vertekenend. Wetenschappers zullen nog jaren een hele kluif aan The Brueg(h)el Phenomenon hebben.

 

 

Leonardo

 

Nu we de genieën van Eyck en Bruegel besproken hebben, kan er nog wel eentje bij. Moeten we blij zijn met een boek en een verfilming als The Da Vinci Code? Als kunstcriticus zou ik impulsief opperen dat alle aandacht voor kunst goed is. In tweede instantie betwijfel ik of Leonardo da Vinci nu echt gebaat is bij dergelijke hysterie. Men verdringt zich nu al in immer uitdijende drommen voor diens portret van een vrouw, in plaats van pakweg voor Bruegels Winterlandschap met schaatsers en vogelknip of zelfs Jan van Eycks Portret van Giovanni (?) Arnolfini en zijn vrouw (National Gallery, Londen). Misschien moeten we daar helemaal niet rouwig om zijn. Enerzijds kunnen we wel genieten van die andere twee meesterwerken, met de neus er bovenop. Anderzijds is dat laatste bij de Mona Lisa niet mogelijk. Ook al zou er niemand zijn die het zicht belemmert, dan nog is de afstand te groot om te genieten van de finesse van da Vinci’s penseel. Maar mijn scepsis over The Da Vinci Code richt zich eigenlijk op de rabiate onzin die verkondigd wordt. Anders is het gesteld met het jongste boek van Ross King (1962): Leonardo en het Laatste Avondmaal.

 

Na degelijke vertellingen over onder andere Brunelleschi’s koepel van de dom in Florence (2000) en Michelangelo’s fresco’s in de Sixtijnse kapel in Rome (2002), is nu da Vinci’s fresco Het Laatste Avondmaal in de refter van Santa Maria delle Grazie in Milaan aan de beurt. Foto’s van kunstwerken kunnen indruk maken, maar de invloed van documentaire foto’s van noodlijdende kunstwerken is soms nog sterker. Bezoekers van het Laatste Avondmaal moeten op voorhand reserveren en zorgen dat ze op een vooraf afgesproken uur aanwezig zijn. Vooraleer een afgemeten groepje kunstliefhebbers door een systeem van sluizen het heiligdom wordt binnengelaten, moet men zijn beurt geduldig afwachten. In een wachtkamertje zijn foto’s te zien van de toestand van het fresco na een bombardement tijdens Wereldoorlog Twee. Alles ligt plat, maar uitgerekend de wand met het fresco is op miraculeuze wijze rechtop blijven staan. Diezelfde muur is in hartje winter rücksichtslos aan de elementen overgeleverd. Verbijsterend.

 

King heeft zijn huiswerk gemaakt en bedient zich van het indrukwekkende bronnenmateriaal dat voorhanden is om ook eens een onzekere da Vinci te schetsen, een da Vinci die de mislukkingen aan elkaar rijgt. King: “Leonardo had rond zijn tweeënveertigste – in een tijd waarin de levensverwachting slechts veertig was – niet meer tot stand gebracht dan een paar verspreide schilderijen, een wonderlijk muziekinstrument, wat efemere decoraties voor maskerades en festivals, en honderden pagina’s met notities en tekeningen voor studies die hij nog niet had gepubliceerd, of voor uitvindingen die hij nog niet had gebouwd. Er gaapte duidelijk een diepe kloof tussen zijn ambities en verrichtingen.” Het zou een perfecte intro voor een film kunnen zijn. Al kan dit ook als een kunstgreep van de romancier Ross King opgevat worden. De ster van da Vinci kan nog heviger schitteren nadat hij als overwinnaar uit de geschetste impasse tevoorschijn komt: reculer pour mieux sauter. Da Vinci’s rusteloze en onderzoekende geest maakt van hem een van de markantste figuren in de geschiedenis. Diezelfde eigenschap kwam zijn kunstenaarschap niet ten goede. Het was zowel een zegen als een vloek. Wil men excelleren in een discipline, dan is het vaak beter om aanleg voor het monomane te hebben en zich volledig te wijden aan 1 discipline.

 

Wat King in dit boek opnieuw goed doet, is de geschiedkundige context omstandig beschrijven zodanig dat de contouren van da Vinci’s tijd vorm krijgen. Da Vinci zit niet op bladzijde 1 te experimenteren met olieverf op de wand van de refter in Santa Maria delle Grazie. Toch enkele kanttekeningen. Ligt het aan mij of swingt de nieuwste van King net iets minder dan voorgaande werken? Of haalt de vertaling het niveau wat naar omlaag? Opmerkelijk is de korte passage die wordt gewijd aan de olieverfschilderkunst uit de Bourgondische Nederlanden aan het begin van de vijftiende eeuw. Hubert van Eyck wordt er gecrediteerd als de persoon die de techniek van het schilderen met olieverf op punt stelde. Aangezien er geen werken met zekerheid aan de man toegeschreven kunnen worden, is het meestal broer Jan die in die rol geduwd wordt. Op zich misschien geen onlogische stelling van King, maar bij gebrek aan materiaal toch bijzonder opmerkelijk. King gaat vervolgens uit de bocht door te beweren dat Hubert hofschilder van de hertog van Bourgondië was. Een uitgebreidere en correctere passage over de verwezenlijkingen van de van Eycks en hun tijdgenoten was hier op zijn plaats geweest.

 

 

Wijd open ogen

 

Gijsbert van der Wal (1977) is kunsthistoricus en freelance journalist. Hij werkt voor NRC Handelsblad, Kunstschrift, De Groene Amsterdammer en het VPRO-radioprogramma De Avonden. Voor zijn boek Wijd open ogen bewerkte de auteur een reeks bestaande interviews tot een lange kunstkritiek in vrije vorm. Die vrije vorm heeft te maken met van der Wals onconventionele schrijfstijl. Zelden schreef een professional op zo’n ongedwongen en eigenzinnige manier over kunst. Van der Wal speurt naar dogma’s in de kunstkritiek en tracht onzinnigheden te weerleggen. Hoogdravende theorieën, archaïsche en barokke taal, of slaapverwekkend proza worden al te vaak met kunstkritiek geassocieerd, een vlotte verteltrant veel minder.

 

Zijn kritiek op de grote Rembrandt is kostelijk: “Hij had de verkeerde dingen geschilderd in de verkeerde stijl. Net als bijvoorbeeld Adriaen Brouwer en Adriaen van Ostade had hij volop vervallen boerenschuren vastgelegd, urinerend gepeupel, neukende stelletjes en peervormige cellulitisnaakten – al dan niet met rare gezwollen knieën, een te breed hoofd en een verkeerd verkorte onderarm, waarvan een geraffineerd clair-obscur dan weer de aandacht mocht afleiden.” Is die kritiek helemaal terecht? Ach, persoonlijk stoort het mij zelden dat een uitstekend vakman het bijwijlen niet echt nauw neemt met de anatomische voorschriften. Net omwille van hun bravoure, bijvoorbeeld Rembrandts clair-obscur, wordt de aandacht afgeleid. Stoort het mij dat de anatomie van de David van Michelangelo (Galleria dell’Accademia, Florence) niet helemaal correct is? Zijn handen zijn bijvoorbeeld nogal geprononceerd en als je de zijkant van het beeld monstert, dan krijg je het gevoel dat de marmeren reus nogal smal uitgevallen is. Net die onvolmaaktheden maken vele kunstwerken sterker. De beste kunstenaars kiezen voor visuele coherentie of voor wat visueel de sterkste indruk maakt. Academische voorschriften laten ze, geheel terecht, links liggen. Een stelling die van der Wal overigens na zijn kritische passage ook zelf aanhaalt. Van der Wals stekelige opmerkingen hebben eigenlijk als doel om aan te kaarten dat iemand als Rembrandt vandaag zo geprezen wordt dat kritiek niet meer aan de orde lijkt. De cultus van het genie is inderdaad geen zegen.

 

Goede kunstkritiek gaat over meer dan kunst. De auteur weidt uit over kunstenaars die hij opzoekt en die hem iets leren over het leven of de kunst. Dat de anekdotische vertellingen niet altijd even snedig of interessant zijn, hoeft misschien niet te verbazen. Het boek telt immers 400 bladzijden. Van der Wal is op dreef wanneer hij zijn liefde voor de kunst belijdt. Kunst als toevluchtsoord en als feelgoodfactor. Of met de woorden van de kunstcriticus: kunst om bij weg te zwijmelen. Of soms ook niet. Van der Wal vraagt aan een bevriende kunstenaar of schilderen hem kan troosten: “Hij denkt kort na en zegt: “Als je zoontje valt en huilt, en je legt een chocolaatje op zijn knietje, dan is hij getroost. Dat is troost. Maar onafwendbaar en niet te dragen verdriet, daar bestaat geen troost voor. De schilderijen die ik jarenlang gemaakt heb nadat mijn dochter was overleden, die moesten allemaal gemaakt worden en het was denk ik zelfs een poging haar weer tot leven te brengen. Maar ik geloof niet dat het heeft meegewerkt aan het helen van verdriet: dat is een heel fout woord hè, verdriet is niet te helen.”

 

Christina Currie, Dominique Allart, The Brueg(h)el Phenomenon. Paintings by Pieter Bruegel the Elder and Pieter Brueghel the Younger with a Special Focus on Technique and Copying Practice, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK), 2012, 3 volumes, ISBN 9782930054148, € 160,00.

 

Maximiliaan Martens en Annick Born, Van Eyck in detail, Ludion, 2012, 256 blz., ISBN 9789461300577, € 39,90.

Ross King, Leonardo en het Laatste Avondmaal, De Bezige Bij, 2012, 415 blz., ISBN 9789023475880, € 24,90.

Gijsbert van der Wal, Ogen wijd open. Stukken over kunst en kijkplezier, De Bezige Bij, 2012, 256 blz., ISBN 9789023473145, € 32,50.
 

closertovaneyck.kikirpa.be