Yes we Kahn

The Power of Architecture
Beeldende Kunsten

Vraag eens aan kennissen wie zij als de grootste architecten van de twintigste eeuw beschouwen. Weinig kans dat de Amerikaan Louis Kahn op veel lijstjes voorkomt. Toch is hij de man die de zwaarte en de massa opnieuw introduceerde in de architectuur en die ongewild de peetvader van het postmodernisme werd.

Geert Sels

 

Eens kijken wat Jean-Louis Cohen over Kahn te melden heeft. Cohen heeft recent een grondige én bevattelijke architectuurgeschiedenis gepubliceerd, The future of architecture. Hij laat zijn overzicht aanvangen in 1889. Dat is slim gezien, want wie een vroeg beginpunt neemt, heeft des te meer toekomst om over te schrijven.

Cohen is een goede graadmeter. Als gereputeerd architectuurhistoricus heeft hij een ontzaglijke eruditie opgebouwd en is hij betrouwbaar. Bovendien is zijn kennis zo uitgeloogd dat hij regelmatig spijkers met koppen schrijft.

 

Kahn krijgt, oei, toch ook maar twee van de ruim vijfhonderd pagina’s toebedeeld. Een teken aan de wand? De meeste mensen zullen inderdaad eerder Mies van der Rohe, Le Corbusier of Frank Lloyd Wright als steunberen van de twintigste eeuwse architectuur noemen. Niettemin heeft het weinige dat Cohen over Kahn rapporteert een hoog soortelijk gewicht. ‘Hoewel hij al sinds de jaren 30 in Philadelphia bezig was’, schrijft Cohen, ‘was hij de meest opmerkelijke Amerikaanse architect die zich in de jaren 50 aandiende.’ En daar houdt het niet op. Want: ‘Op uitzondering van Kahn kwamen er tijdens de jaren 60 in noord-Amerika weinig interessante projecten naar voren.’

Met die adelbrieven op zak is het al beter te verstaan dat het Vitra Museum en het Nederlands Architectuurinstituut (NaI) samen een nieuw kapittel uitwerkten in hun reeks ‘grote bouwmeesters’. Eerder kregen Wright en Le Corbusier zo’n betoon. Als achtergrond bij de expositie is een pracht van een boek verschenen, geen klassieke catalogus, maar een bundeling stukken die telkens op een pertinent onderwerp uit Kahns oeuvre doorgaan. De bijdragen in The power of architecture zijn geschreven door een internationaal kransje van kenners.

 

De onderwerpkeuze is op zich al revelerend. Men kan er uit afleiden dat de tijd aangebroken is om op een andere manier naar het werk van Kahn te kijken. Lang is Kahn, die uit traditie putte terwijl zijn vakgenoten die verketterden, beschouwd als de wegbereider voor het postmodernisme. Met zijn massieve, haast tempelachtige constructies is hij inderdaad één van de eersten om inspiratie te putten uit middeleeuwse steden (Carcasonne was hem zeer na), renaissancistische grondplannen of ruïnes (San Gimignano). In tegenstelling tot veel van de latere postmodernisten beperkte zijn belangstelling zich niet tot stijlcitaten.

 

Het boek brengt enkele opvallende correcties op het beeld van ‘peetvader van het postmodernisme’. Zo wordt er sterk ingezoomd op Kahns fascinatie voor materiaal, en bij uitbreiding voor bouwtechnieken. Alleen dankzij zijn bereidheid om samen met ingenieurs experimenten op te zetten, hadden zijn mastodontische constructies een kans op slagen. Een ander nieuwbelicht aspect is Kahns inspiratie uit de wetenschap. Vlak nadat Crick en Watson in 1953 de dna-structuur ontdekten, pastte hij het patroon van de dubbele helix toe in een ontwerp voor een toren. En ja, allicht door onze huidige belangstelling voor ecologie, valt ons nu pas de toenemende zorg op waarmee Kahn zijn gebouwen inplantte in landschappen en waterpartijen.

Kahn was nieuwsgierig, schrijven de Duitse curatoren, en die attitude dreef hem steeds voorwaarts. Zelfs zijn interesse voor het klassieke verleden was ingegeven door de ambitie om een nieuwe start te maken. Immers, de ranke hoogpotige Internationale Stijl van Mies van der Rohe, Alvar Aalto of Eero Saarinen vond hij problematisch en daarom had hij een tegenwicht nodig. Ze omschrijven Kahn als een innovator die de bouwtechnologie tot het uiterste testte. Ze portretteren hem als een architect die stap voor stap nieuwe terreinen verkent en ze zich toeëigent, zodat het eindresultaat  een tijdloze universele stijl is.

 

Het boek toont knap aan hoe sommige stappen in elkaars verlengde liggen en, al liggen er decennia tussen, toch met elkaar verband houden. Hoe Kahn bijvoorbeeld evolueerde van stedelijkheid naar huizenbouw en uiteindelijk naar grote publieke projecten. Kahn, geboren in 1901, was nog een twintiger toen hij bij de stadsdiensten van Philadelphia kansen kreeg om aan stadsontwikkeling te doen. Hij is de stad zeer dankbaar geweest. Ze was meermaals in de running om de titel van wereldexpo in de wacht te slepen, dus er viel altijd wel wat te concipiëren. De stad was voor hem ‘a forum of availabilities’, een labo voor ontwikkeling. Ook hier was hij zijn tijd vooruit, met zijn verkeersvrije binnenstad en zijn gordel van shoppingcentra en hotels daarrond. Maar los daarvan: de rasterstructuur van de straten paste hij later toe in de huizenbouw. Een stratenplan was voor hem in wezen hetzelfde als een grondplan voor een huis. Hij paste het zelfs toe om muurschilderingen aan te brengen.

 

Hoe hij zo lang het hoofd boven water hield, staat niet aangegeven in dit boek. In elk geval was Kahn al vijftig toen zijn eerste grote opdrachten eraan kwamen. Voor de Yale University, waar hij ook doceerde, bouwde hij de Art Gallery (1953). Daarvan is de geometrische vorm van het plafond zeer beroemd geworden. Het spel van driehoeken in een rasterstructuur rekende hem van meetaf aan tot de ‘pure architecten’ wier taal te herleiden is tot vierkant-cirkel-driehoek. Gauw daarna kwamen de Richards Medical Research Laboratories (1960), voor de University of Pennsylvania. Voor deze campus ontwierp hij een tros van torens, waarvan het circulatiegedeelte in glazen blokken georganiseerd werd.

 

Tegen die tijd had Kahn een langdurige pelgrimagie naar Europa ondernomen, naar Italiaanse renaissancesteden en Griekse ruïnes. In één van de essays worden zijn talrijke vaardige schetsen en aquarellen besproken. Ze helpen begrijpen dat Kahn voorgoed had ingezien hoe hij zijn ontwerpen met een jas van een klassieke ruïne kon omkleden. In de Richards Medical Research Laboratories was dat iemand enorm opgevallen. Zijn naam was Jonas Salk, de man die in Californië het vaccin tegen polio ontwikkelde. Hij vroeg Kahn om in La Jolla, aan de rand van de oceaan, het ontwerp te maken dat iconisch zou worden.

Het Salk Institute for Biological Studies (1965) is tijdloos. Met zijn symmetrische opbouw, aan weerszijden van een open plein, ademt het een klassieke rust. Vlakbij de zee ingeplant, met zijn travertijn, wat ruwig beton en verweerd hout, is het helemaal conform met de elementen rondom. Cohen, met wie dit artikel begon, is vol lof. ‘De tijd heeft op de tekstuur van deze materialen’, schrijft hij, ‘niets anders dan een poëtisch effect gehad.’ U weet natuurlijk hoe lyrisch Fransen kunnen worden.

Die klassieke inzichten heeft Kahn misschien nog het meest van al in het Verre Oosten gebruikt. In een interessant essay geeft William Curtis aan hoe de architect zijn stijl ten dienste stelt van jonge staten als Indië of Bangladesh die zich hebben losgewurmd uit het imperialisme. Met toonaangevende gebouwen helpt hij hun politieke en sociale aspiraties mee vorm geven. Het Indian Institute of Management in Ahmedabad (1974) putte met zijn baksteenbouw inspiratie uit de Thermopolium van Ostia, de oude Romeinse haven. En het parlement van Bangladesh in Dhaka (1983), dat als een citadel oprijst uit het water, voegt daar als inspiratie nog eens de Tempel van Jupiter aan toe. In elk geval verzoent Kahn daar oud met nieuw, en het lokale met het universele. Dat is waarom hij aanvaardbaar was voor de drie grote religies, want Kahn ontwierp zowel katholieke kerken, synagoges als gebedshuizen voor moslims.

 

Dat Kahn tijdloos is, helpt verklaren waarom sommige van zijn ontwerpen postuum nog gerealiseerd worden. De architect overleed in 1974 in bizarre omstandigheden, toen hij in een metrostation in New York een beroerte kreeg en pas na drie dagen in het mortuarium geïdentificeerd werd. Dhaka werd zowat tien jaar later gerealiseerd. En dat heeft niet per se met oosterse nonchalance te maken. Want zijn plan voor het Franklin D. Roosevelt Four Freedoms Park, in New York, is eind oktober laatstleden gerealiseerd. Veertig jaar later. Dat is pas ‘Power of Architecture’.

 

Louis Kahn, The Power of Architecture, Vitra Design, 354 blz., ISBN 9783931936921, € 79,95.