Klassiek moet je zien

Column
Muziek

Soms zijn we het niet eens, als het gaat over muzikale smaak. Ik geniet van het heerlijk gepolijste spel van pianist Till Fellner, de opener van 75 jaar Flagey. Vederlicht in Mozart, glashelder in Bach. Een vriendin die naast me zit, heeft het helemaal anders gehoord. “Hij speelt zo machinaal; hij ziet eruit alsof hij met tegenzin speelt.” Natuurlijk kan ik dit makkelijk afdoen als ondeskundig. Als de mening van een amateur die afgaat op oppervlakkige signalen. Hoewel ik het grondig oneens ben met haar, begrijp ik hoe ze haar punt maakt. Fellner is, net als zijn leraar Alfred Brendel, een voorbeeld van evenwichtszin. En nog meer als die illustere leraar is Fellner een artiest die zichzelf wegcijfert om een feilloze pianistieke boodschap op een gouden schotel aan te bieden. Akkoord, zijn podiumhouding straalt misschien weinig enthousiasme uit. Misschien komt het door de concentratie, zo onontbeerlijk in de Symfonische Etudes van Schumann, een kanjer van een stuk. Till Fellner is misschien vanbinnen emotioneel aan het overkoken, maar hij is spaarzaam in zijn beweging om de controle over zijn instrument nog beter te beheersen. Wellicht zou hij niet anders klinken als hij brede golvende bewegingen zou maken van achter zijn klavier. Ik moet er niet aan denken dat hij maniertjes zou overnemen van wat je zijn complete tegenpool kan noemen: Lang Lang, die al spelend zijn publiek smachtend in de ogen kijkt. 

Veronique Rubens