“…maar denk ook een beetje aan natte kasseien”

Wannes Van de Velde, vijf jaar na het laatste lied
Muziek
Groep Wannes Van de Velde c Lief Halsberghe

“Vandaag is Wannes Van de Velde overleden. Een verlies.” Dat, en niet meer, was het berichtje dat me nu bijna vijf jaar geleden, op 10 november 2008, bereikte via mijn beste vriend, een verwant van de waardin van een van Wannes’ favoriete cafés. Ze baatte vroeger het ‘Café met rooi’ gordijnen’ uit, waarnaar zijn gelijknamige plaat uit 1992 is genoemd. Er overviel me een grote triestigheid. Nog maar twee maanden was het geleden dat een andere reus, jazzgitarist Pierre Van Dormael, plots gestorven was. Nog maar een dik jaar was het geleden dat we Wannes uitgebreid hadden gefeliciteerd voor zijn 70ste verjaardag, met een feestje in de Bourla. We keken uit naar zijn nieuwe tournee, nu de Ziekte overwonnen was, en de knotsgekke laudatio van Pjeroo Roobjee ging er uiteraard van uit dat het gevaar nu voor de eeuwigheid was geweken. Op zijn toen pas verschenen plaat In de maat van de seizoenen klonk het glorieus: ‘Hier is em terug / Hier is em terug met zijne moed en zijn twee handen / Hier is de zanger met zijn stem en zijn verhaal / Ne muzikalen Don Quichot der Lage Landen / Op zijn doortocht langs de wegen van de taal.’

Rudy Tambuyser

Die tournee zou er niet meer komen. Wannes stierf en opeens mocht er hier en daar redactionele ruimte aan hem worden besteed. Op papier is sterven altijd een sterke zet. Redacteurs staken de loftrompet over de ‘dwarsligger’, de ‘linkse flamingant’, de ‘protestzanger’, de ‘archetypische Antwerpenaar’, de bevlogen ‘volkszanger’ die, o ja, ooit met Hans de Booij Bobbejaan Schoepens De lichtjes van de Schelde had opgenomen. Een belangrijk wapenfeit, al was het maar omdat Daan het ook had gezongen, en van hem kenden ze wél alle platen. Dat Wannes voor elke cover of traditional die hij zong de wereld tientallen eigen nummers schonk, waaronder meesterwerken zoals Café Breugel, Ketter onder de maan, Theater zonder poos, Von Braun, Ne zanger is een groep – et j’en passe? Pijnlijke stilte.

 

Maar ik wil niet in bitterheid vervallen. In elk geval was het toen al, die eerste dagen en wetend dat de aandacht voor Wannes al te snel zou wegebben, dat ik me voornam ooit een stuk te maken dat alleen over die andere 99 procent van Wannes zou gaan: de muzikant, een van de allergrootste die dit land heeft voortgebracht. Lang kwam het er niet van: mijn fascinatie voor zijn muziek, die me meer dan elke andere het afgelopen decennium heeft vergezeld, maakte elke uitspraak erover futiel. Nu pas, bij het lustrum van zijn overlijden, vond ik de toon en de vorm. Ik maakte een afspraak met Stefan Wellens, altviolist, gewezen studiegenoot, sinds 1995 lid van Groep Wannes van de Velde (GWV) en voornaamste arrangeur van In de maat van de seizoenen, de onbedoelde zwanenzang. We zetten ons aan een tafeltje met goede wijn en goede malt voor een gesprek met maar één voornemen: het zou gaan over Wannes de muzikant. Wat u hieronder leest, is dus geen interview, maar een keuze uit een gesprek dat als interview gepresenteerd wordt.

 

Stefan, voor mij is Wannes geen dwarsligger of moeilijkdoener, maar een affirmatief ingestelde oermuzikant.

 

Stefan Wellens: “Zo heb ik hem ook beleefd. Hij is destijds in de jaren zestig wel beginnen zingen vanuit een verontwaardiging over de vernielzucht van het Antwerpse stedenbouwkundige beleid, maar dat vertrok niet vanuit een moeilijk karakter. Die weerbarstigheid ontstond uit zijn zoektocht naar essentie en de bekommernis om die in ere te houden en tastbaar te maken. Ik heb hem trouwens niet als volksmuzikant leren kennen, maar simpelweg als een songwriter die goede, Nederlandstalige muziek schreef. Dat kwam nogal vanzelf, omdat zijn groep altijd bij ons thuis repeteerde [Stefans vader Jan was gitarist van GWV – RT]. Wannes was gewoon een deel van ons leven. Pas achteraf las ik in artikels over de ‘volkszanger’, terwijl ik hem nooit zo heb bekeken. Het is niet omdat je in een Antwerps zingt, dat je een folkmuzikant bent. Natuurlijk was dat een deel van hem, maar dan vooral bij Water en Wijn, Wannes’ a capellagroep. In GWV ging het gewoon om goede songs, in welke stijl dan ook.”

 

Je zou zowel zijn toontaal als zijn spreektaal iets traditioneels kunnen toedichten, maar ik heb ze altijd eerder tijdloos gevonden: frasen die bij hem natuurlijk en eloquent vallen, zouden uit een andere mond wollig of gezocht klinken.

 

SW: “Hij was op zoek naar een soort oervorm, waaruit hij dan op zijn beurt inspiratie kon halen om zijn eigen verhaal te schrijven. Een tekst ging niet alleen om ritme en rijm. Er werd veel in geschrapt, hij dacht er lang over na. Vooral moest hij van hém zijn, het moest zijn taal zijn. Dat is ook de reden dat hij in het Antwerps zong: niet omdat het volks moest zijn en niet te verheven, maar omdat het dicht bij hem lag.”

 

Hij vroeg zich in volle ABN-tijd af: hoe kan je nu beschaamd zijn voor de taal van je moeder?

 

SW: “Laat die B er maar af”, zei hij dan, “beschaafd zijn we al.” (lacht)

 

Wannes te horen zingen geeft me een ambigu gevoel. De totaalindruk die hij als zanger maakt is vooral indrukwekkend: er zijn niet veel zangers van zijn kaliber. Maar anderzijds ontroert ook zijn ernst. Hij vindt hoorbaar belangrijk wat hij doet – en dát hij het doet – maar is tegelijk bescheiden en timide. Loden ernst wordt snel steriel, maar Wannes ontwapent ook, door een soort dienstbaarheid en nederigheid. Ik kan me niet meteen nog iemand voor de geest halen die dat alles weet te rijmen.

 

SW: “Dat had te maken met zijn ontzag, niet alleen voor muziek, maar voor elke podiumdiscipline. Als je iets doet, moet je het helemaal goed verdedigen. Dat heb ik van hem geleerd, niet op het conservatorium: op het podium moét je helemaal kunnen geloven in wat je daar komt doen. Dat vergt niet in de laatste plaats een grote concentratie. En hij kon behoorlijk kwaad worden als die op de een of andere manier in het gedrang gebracht werd. Kwam er bijvoorbeeld iemand vragen ‘of het interview voor of na het optreden kon’, was hij al niet meer aanspreekbaar.

Voor een optreden was hij al in… ik zou het geen roes noemen, maar een soort sterke focus. Toen ik pas met hem speelde, was ik nog heel zenuwachtig voor we op moesten en heb ik hem eens gevraagd: ‘Wim [de roepnaam van Wannes onder vrienden – RT], hoe ga jij met zenuwen om?’ ‘Ha’, zei hij, ‘zenuwen zijn geen probleem. Die heb ik altijd.’ Hij maakte zich zelfs met opzet een  beetje zenuwachtig als het moest, anders ontbeerde hij volgens hem de juiste concentratie. Hadden we een lange tournee waarin de routine voor een soort gemak dreigde te zorgen, liep hij vaak in de coulissen te ijsberen, koffie te drinken, zichzelf op te jagen: ‘Ik ben  niet zenuwachtig genoeg, dat is niet goed.’ Voor hem moest je altijd trac [muzikantenjargon; Frans voor plankenkoorts – RT] hebben.

Het podium is heilig en het is pas door hem dat ik dat zo duidelijk heb gezien en beseft. Je krijgt een forum, zorg dan dat je het niet beschaamt. Hij kon ook heel kwaad op ons zijn als we niet op tijd in de coulissen klaarstonden voor een optreden. Tien, vijftien minuten voor het echt begon moesten wij aan het podium zijn, anders kregen we commentaar op ons gebrek aan ernst en focus. En hij had gelijk.

Zoals de repetitie eigenlijk al begon met zijn stemoefeningen en boventoonspelletjes in de wagen, zo begon voor Wannes de soundcheck voor een concert mentaal gezien al bij het vertrek thuis: ‘Ja, ‘k heb eens gebeld met de organisatie…’ begon hij dan. Hij wilde weten wat voor soort publiek er zou zijn. Hij koos zijn nummers in functie daarvan, wist goed wat hij deed. Ik verdenk hem er zelfs van dat hij, hoewel hij zelf nooit een wagen bestuurde, op voorhand al uitstippelde wat de route zou zijn om naar het optreden te rijden.”

 

RT: “Ik heb Wannes voor het eerst zien optreden met een try-out voor studenten van het Brusselse conservatorium, in het ‘bankgebouw’ aan de Kleine Zavel. Hij was er met een Andalusische flamencogitarist en de zangeres Amparo Cortés. Hij vertelde verhalen en speelde uiteraard mee – onder meer Het verhaal van Pepe Tilde heb ik toen voor het eerst gehoord.  Nu, op een gegeven moment hadden Amparo en haar kompaan gedanst – die laatste op Wannes’ gitaarspel – en was het duidelijk beider bedoeling dat ook hij zijn beurt zou nemen. Even duidelijk was dat hijzelf nog altijd niet beslist had of hij het wel zou doen. Je kon in de lucht, in de spanning van het moment, haarfijn voelen dat hij twijfelde of hij het zich wel kon aanmeten, in die dans te stappen die hén – de Andalusiërs – toebehoorde. Een pakkend soort eerbied, maar ook bevreemdend, gezien het hoge gehalte van zijn gitaarspel. Hij is toen toch, onder Amparo’s vriendelijke, maar dwingende aansporing, rechtgestaan, de toen bijna zestigjarige, en heeft omdat het nu eenmaal zijn beurt was, gedurende een eeuwige minuut gedanst: kernachtig, gestileerd, sur place, met zeer kleine, maar fantastisch intense gestes. Die mengeling van ernst, doeltreffendheid, respect, kwetsbaarheid en milde twijfel of hij wel het recht had te doen wat hij deed, had gek genoeg een van de meest huiveringwekkende effecten op mij die ik ooit in een zaal heb gevoeld. Het bloed viel echt uit mijn hoofd. Ik heb op mijn tanden moeten bijten om niet te snikken. Van toen af was ik een onvoorwaardelijke fan.”

 

SW: “Wel, dat is nu typisch Wim, of het nu flamenco was of wat anders. Hij was geen purist. Hij ging weliswaar heel ver in het leren kennen van het idioom van de flamenco, maar toch koos hij uiteindelijk zijn eigen insteek. Hij vond niet dat je dat kon kopiëren. ‘Ik ben geen Spanjaard’, zei hij dan. Hij wilde wel weten hoe ze het deden, is bij een paar meesters in de leer gegaan, maakte daar een tijd zijn leven van, maar toch was hij altijd ‘de Wim’. Hij gaf de flamenco de ernst die hij verdient, maar op zijn manier, in een soort stilering. Dezelfde ernst besteedde hij aan Griekse muziek. Specialisten zullen je kunnen vertellen wat er aan zijn versie van de rembetika allemaal niet volgens de regels is, maar het blijft een prachtige interpretatie.

Met jazz net hetzelfde: de laatste tien jaar slopen steeds meer jazzinvloeden in zijn songs. Dat was nooit écht jazz – al kan je je afvragen wat dat is, échte jazz – maar een vermoeden ervan, in de tensions van zijn akkoorden, zijn groove. Maar het bleef  onversneden Wannes. Hij kwam ermee weg – of nee, dat klinkt te pejoratief: hij maakte het tot iets van zichzelf.

Hij wilde alles leren kennen. Op een gegeven moment wilde hij zich inwerken in rock. Iemand had hem voorgesteld aan Tom Barman, of hij had over hem horen spreken. Maar hij had geen idee van wat dEUS precies was of deed. En dan kwam hij dat vragen. ‘Hoe denken die, wat doen die precies?’ Dan liet ik hem wat horen en dan stond hij daar met gespitste oren: ‘Joa, dat is nie slecht gemokt, hè?’ (lacht)”

 

RT: “Hij kon nochtans cassant zijn. Over Leonard Cohen: ‘Hij heeft nooit kunnen kiezen of hij zanger of poëet zou worden, en heeft geen van beide goed gedaan’.”

 

SW: “Terwijl hijzelf echt wel alletwee was. Meer dan eens kwam hij af met een tekst: ‘Hier gaan we een nummer op maken. Als ge wilt, moogt gij het schrijven.’ Maar je moest dat dan lezen… een juweel gewoon. De bunkers bijvoorbeeld, over de bunkers in het Stadspark, maar met een verháál erachter… Dan kun je niet anders dan ervoor gaan zitten en er de tijd voor nemen.”

 

RT: “Hij bracht zijn teksten soms ook gewoon gedebiteerd, zonder muziek. Von Braun, waarin hij het bombardement op Antwerpen persoonlijk neemt, vond hij in dat opzicht bijvoorbeeld goed genoeg.”

 

SW: “Aan de tekst was altijd al hard geschaafd voor hij met de noten begon. Wat niet wil zeggen dat de muziek erbij niet meteen op een bepaalde manier in zijn hoofd zat. Ook als hij mij vroeg om de muziek te schrijven, zei hij er dan bijvoorbeeld bij: ‘Het zou een zekere donkerte moeten hebben, maar denk ook een beetje aan natte kasseien’. Hij wist goed welke wereld het moest worden. En als componist ben je met zo’n aanwijzing natuurlijk meteen vertrokken.

Hield je je niet helemaal aan zijn wenken, dan wilde hij dat nummer wel repeteren, maar dan liet hij verstaan dat hij er zich niet helemaal in kon vinden. Hij had dat zelfs met zijn eigen nummers: ‘Nee, het marcheert nog niet, ik ga daar nog eens over denken.’ Een song, een nummer – allez, wat is nu een schoon woord – een lied moest echt wel ingedaald zijn om het te kunnen spelen. Voor de laatste première hebben we zes try-outs gespeeld, om te zien hoe alles werkte en aankwam bij het publiek. Dat ging niet meer over de vraag of we het ‘konden’, maar alleen over sleutelen aan de theatrale werking van het geheel. Wordt de sfeer goed en doeltreffend gezet? ‘Ja, dat nummer komt zeker goed, nog een paar keer en dan zijn we klaar’ (lacht). Eer hij iets aan het publiek wilde tonen, moest het echt zitten, hij moest het voélen. Daarom wilde hij voor de laatste cd eerst de tournee doen en dan pas de plaat opnemen. Maar toen was hij toch al ernstig ziek geweest. Toen belde Christa: ze had het er ‘nog niet met Wim over gehad’, maar of het wel een goed idee was om zo lang te wachten met de opname? Wie weet zou het te laat zijn en ‘stond het er niet op’.”

 

RT: “Zij was zo concreet met de artistieke nalatenschap bezig?”

 

SW: “Zeker. En ze heeft gelijk gekregen. Wij hebben Wim overhaald om stukje bij beetje de plaat al op te nemen, rustig aan tijdens de tournee. Gelukkig, want daarna is het snel gegaan. De daarop geplande tournee van 45 concerten is uitgesteld en van dat uitstel is het definitieve afstel gekomen.”

 

RT: “Terwijl het in Dublin Bay, het openingsnummer van de laatste plaat, nog klinkt: “En ik heb daar beseft dat de dood niet bestaat’.”

 

SW: “Hij zegt het simpel, maar dat is er kloef oep, he.”

 

(Stilte. Krop en wijn.)

 

“Dat nummer is wel wat ouder, het dateert van voor de ziekte. Want toen hij beter was, schreef hij eerst en vooral ‘Hier is ‘m terug’.”

 

RT: “Ook een dijk van een nummer, opgedragen aan zijn dokter."

 

SW: “Was jij erbij toen we het in de AB in première speelden?”

 

RT: “(knars) Nee.”

 

SW: “Wel, toen was het mijn beurt om het moeilijk te krijgen. Eerst speelde hij Dublin Bay, alleen, spotje erop, volle AB. En dan direct aansluitend ‘Hier is ’m terug’. Dat zat goed, je voelde een speciale energie in de zaal, alles was muisstil. Maar dan dat applaus… minutenlang lijkt het in mijn herinnering. Ik krijg het er nog koud van. Hijzelf was ook uit z’n lood geslagen.”

 

RT: “Mensen vinden vaak dat ik overdrijf als ik hem een grote zanger noem: ‘Allez, kom, ’t is toch Fischer-Dieskau niet, he.’ Luister goed, zeg ik dan: hij is wél Fischer-Dieskau.”

 

SW: “(lacht) Ik zie wat je bedoelt.”

 

RT: “Als hij zingt, zie je geen man die aan het zingen is. De luisterervaring is veel directer, er is geen interface meer.”

 

SW: “Hij had dat op zo’n moment ook niet meer zelf in de hand. Je kan proberen om in dat regime te geraken, je kan dat proberen te voeden, maar uiteindelijk moet het gewoon gebeuren. Hoe dan ook: als begeleidingsmuzikant van Wim zaten wij altijd in een zetel.”

 

RT: “Grappig dat je dat zo zegt; normaal moet je als begeleidingsmuzikant zelf een zetel zijn.”

 

SW: “Maar ik, die meteen heel jong met Wannes werkte, heb achteraf, toen ik met andere zangers begon samen te werken, beseft dat niet iedereen dat vermogen heeft om je bij wijze van spreken mee het publiek in te trekken. Dat gevoel is intens, maar zit wel aan de binnenkant van je beleving: we zagen er altijd statisch bij, op stoeltjes. Bijna alles wat er klonk lag vast, er was veel muziek uitgeschreven; alleen mijn vader had een beetje een liberofunctie, waarvoor hij trouwens een heel mooie vorm gevonden had. Maar vrijheid was er nooit te veel: Wim had een sound in zijn hoofd (‘Dit nummer, dat is zo’n soort van wereld en ik wil die nu horen ook’). En als je daar niet naar speelde, of er gebeurde een fout met een herhaling of zo, dan voelde je direct dat hij van zijn stuk was. Want je denkt allicht: Wannes de democraat, met zijn ontspannen bende, maar op dat vlak waren fouten niet geoorloofd.”

 

RT: “Frank Zappa aan de Schelde.”

 

SW: “(lacht) Dat is een heel goede vergelijking. Het klinkt allemaal geïmproviseerd, maar schijn bedriegt. Zelfs mijn vader kreeg als hij te ver ging onmiddellijk de boodschap dat hij de timing schaadde. En hoe dan ook waren het in de tijd van Walter Heynen gewoon allemaal partituren.”

 

RT: “Walter was in zijn tijd dan ook niet alleen een arrangeur, maar een goede, misschien zelfs onderschatte componist. De muziek van Ketter onder de maan, dat is geen zetting, dat is kunst: ze had niet anders kunnen zijn, ze is een betoog op zichzelf, vertelt de tekst ook buiten de tekst om.”

 

SW: “Ik denk ook vaak aan dat lied. Walter heeft daar – het klinkt misschien blasé – een mooie brug geslagen tussen een volkse stijl en een klassiek idioom. Je moet het maar doen om je op die manier toegang te verschaffen tot de wereld van Wim.”

 

RT: “Als kind zag je GWV gewoon thuis repeteren. Maar gewoonte voedt de legende niet. Wanneer begon je te beseffen dat je deelgenoot van iets speciaals was?”

 

SW: “Ik vond dat inderdaad normaal. Zelfs toen ik al meespeelde was ik vooral blij dat het klikte, dat ik me goed kon inpassen in de groep. Tof. Opgelucht dat ik mijn plan kon trekken. Het is pas toen ik als muzikant begon te rijpen, dat dit basale gevoel plaatsmaakte voor dankbaarheid. Het heeft echt twee, drie jaar geduurd vooraleer ik besefte dat ik in iets speciaals zat. Dat ik met mijn vader van een concert kwam, en dat we ons echt voldaan voelden. Niet omdat we onszelf zo geweldig vonden, maar dat we beseften: het heeft gemarcheerd vanavond. Ik denk dat GWV een goede groep was.”

 

RT: “Daar kunnen we veilig van uit gaan. Voor je vader moet het speciaal zijn geweest: GWV was een deel van zijn leven voor jij er was, en wat later speel je mee en neemt er zelfs een belangrijke rol in op.”

 

SW: “Waar hij me wel op attent heeft gemaakt, destijds vlak voor ik begon in de groep: ik was bezig zoals de meeste studenten in het tweede jaar van het conservatorium, geen fouten maken, zien dat ik erdoor was, proberen mijn programma gestudeerd te krijgen,… Toen heeft hij me wel gewaarschuwd: dat gaat niet genoeg zijn als je met Wannes op het podium wil gaan zitten.

Wim was van opleiding schilder en had een ongelooflijk oog voor detail, niet alleen in muziek. Dan liepen we over straat en dan begon hij ineens over de manier waarop een gevel gevoegd was: ‘Ja, dat deden ze vroeger anders, want…’ Of zijn oog viel op iets ‘typisch van de jaren dertig’. Er was altijd wat te merken en te vertellen. Hij nam alles in zich op. En op een gegeven moment deed hij er dan iets mee. Hij heeft bijvoorbeeld veel dagboeken nagelaten, die Christa nu uitpluist om ze te ontsluiten. Producer en folkkenner Dree Peremans is er ook mee bezig. Hij heeft nu een liedboek klaar met zowat alles wat Wannes ooit heeft gedaan. Dat werd op 7 oktober jongstleden voorgesteld in De Roma. Maar hij heeft ook inzage in de dagboeken.”

 

RT: “Hopelijk worden ze nog  uitgegeven. Wat totnogtoe is verschenen in Tijdsnede en In de tijd heb ik met liefde en bewondering gelezen.”

 

SW: “Ook daarin voel je wat een intense waarnemer hij was. Ik herinner me in die zin ook sterk de momenten waarop we naar de repetitie reden. Ik zat op kot in Antwerpen en reed samen met Wim mee met Walter. En dan zat hij maar te vertellen, over vanalles, over de nummers die we zo dadelijk gingen spelen en waarom. Hij zat meteen in een soort intense waarnemingscocon.”

 

RT: “Ik wist niet dat jij met Walter Heynen nog had samengespeeld.”

 

SW: “Ik heb het over Walter Poppeliers, de bassist. Met Heynen heb ik nooit gespeeld. Wannes heeft me uitgerekend op zijn begrafenis gevraagd om in de groep te komen: ‘We gaan door. Maar ik zou geen dwarsfluit meer willen. Een lage strijker. Gij speelt altviool. Wilt ge meedoen?’

Zo was dat met zijn ziekte ook. Dan zag je zijn vechtersaard. Je hoorde hem er niet over klagen, hij heeft het zelfs nooit over ‘kanker’ of ‘leukemie’ gehad.”

 

RT: “‘Mijn bloed was moe’ zingt hij in ‘Hier is em terug’.”

 

SW: “Schoon, he? Hij was een bijter. Toen Walter Heynen stierf, was dat een muzikale én persoonlijke ramp. Maar hij zette daar wel meteen iets tegenover, zij het nooit expliciet. Neem nu ‘Hier is em terug’. Die tekst kwam echt heel erg dicht, voor ons ook. Dan speelt hij dat voor het eerst, we zitten erbij met de daver op het lijf, en uitgerekend dan zegt hij: ‘Oei, ‘k sta wat vals, even mijn gitaar stemmen.’ Blijven doorgaan, vooruit denken. Na een optreden werd er niks meer over gezegd. Nee, dat was direct: ‘Volgende week spelen we in Erembodegem. Dat is Louis Paul Boon, he, dan gaan we dit en dat en dan moeten we…’ Wat voorbij was, daar werd niet over gesproken.”

Groot Liedboek, oktober 2013, Uitgeverij Van Halewyck, 616 blz., ISBN 9789461312013, € 39,50

 

Tijdsnede, Uitgeverij P, 2004, 288 blz., ISBN 90-76895-94-5, uitverkocht

 

In de tijd (Notities 1978-1993), met illustraties door de auteur, Paradox pers Antwerpen, 2000, 255 blz., ISBN 90 72533 39 9

 

De klank van de stad (Liederen 1966-1999), Houtekiet, 1999, 188 blz., ISBN 90 5240 5489 4