LITERATUUR

Anna worden

Van schaamtecultuur naar schuldcultuur

De dochter van Benno Barnard en zijn vrouw is geboren in India en kwam in België terecht toen ze bijna vier was. Maar België betekende ook het westerse culturele patroon van schuld en vergiffenis. Dit stuk gaat over de lotgevallen van een kind in wie het besef ooit te zijn weggegeven verstrengeld is met resten van haar ‘vorige cultuur’: die van de angst voor het gezichtsverlies. Benno Barnard

Het begon ermee dat Kristien Hemmerechts aan het begin van deze eeuw blijk gaf van haar weerzin jegens Moeder Teresa: die vrome trut veranderde volgens haar niets fundamenteels, ze hielp enkel individuele gevallen. Linkse mensen willen altijd structuren veranderen, een nobel streven, maar Vandana had geen tijd om op veranderde structuren te wachten: de nonnen van Moeder Teresa moesten haar leven maar redden.

Ze was drie jaar toen ze in ons leven kwam en dat ging als volgt. Mijn Amerikaanse schoonmoeder werkte als arts in India en tot haar werkzaamheden behoorde de inspectie van weeshuizen. In het weeshuis van de Zusters van Naastenliefde in New Delhi kwam een peuter naar haar toe, greep haar hand en noemde haar ‘oma’ in het Hindi. Mijn schoonmoeder is nogal sentimenteel van aard en bezit de gave van wat ik nu maar de ‘semiotische lectuur van het toeval’ zal noemen: zij ziet vele tekenen van Gods aanwezigheid, meer dan ik in elk geval. Vandana van haar kant moet door een feilloze intuïtie geleid zijn geweest: deze grootmoederachtige zou haar hier weghalen.

Ze was op haar derde verjaardag door een man en een vrouw naar het weeshuis gebracht; het enige wat ze bij zich had, behalve de kleren die ze droeg, waren medicijnen tegen filariasis. Hun namen werden niet genoteerd; rondtrekkende landarbeiders – eertijds paria’s geheten – zijn bang voor de overheid. Er bestaat een foto van Vandana op die eerste dag: ze heeft net de gouden medaille voor ongelukkigste kind ter wereld gewonnen.

Zodra mijn schoonmoeder ons had overtuigd dat Vandana prachtig bij onze haast even oude zoon zou passen – o hartveroverend effect van een blond Germaans jongetje hand in hand met een lichtbruin Indiaas meisje – en wij de adoptieprocedure in werking hadden gezet, reisde mijn vrouw naar New Delhi en bezocht ons toekomstige kind in het weeshuis. Ze noemt het de wonderlijkste ervaring van haar leven: alle kinderen gonsden dat ‘de mama van Vandana’ uit de hemel was neergedaald, het kind kroop op haar schoot en sloeg haar armpjes om haar nek; en mijn vrouw had geen idee hoe ze zich moest voelen.

De nonnen, gehard door de realiteit van de Indiase cultuur, stelden de nieuwe grootouders voor het kind bij hen in huis te nemen tot ze naar België mocht vertrekken. ‘Bij jullie is ze veel beter af dan bij ons,’ zei de moeder overste. ‘En dan leert ze vast Engels.’

Volgden een buitenbaarmoederlijke zwangerschap van zeven maanden en een nutteloze cursus, gedoceerd door een juffrouw van even in de twintig, zelf haast nog een kind, die de waarheden van de psychologie opsomde; mijn schoonouders betaalden links en rechts een steekpenning; en in april 2002 werd ons kind voor de tweede keer geboren.

Van dit alles herinnert ze zich niets; ook niet wat ze tegen de ober in het Indiase restaurant in Brussel zei: ‘No Hindi please, English!’ Hindi was het weeshuis, Engels de vrijheid – om vergelijkbare redenen is het Jiddisch in Israël niet geliefd, dat is de taal van het getto.

Ik sla veel over.

Belangrijk is dat ze bij ons in bed kroop, samen met haar broertje, en dat wij dat allebei onprettig vonden – de reden bevond zich op het peil van ons primitiefste zintuig, ons reukvermogen… Dit kind rook beslist anders; het rook niet naar ons nest. De kleine Vandana bracht de geuren mee van een Indiaas lichaampje, voortgebracht door twee onbekende Indiase lichamen, met een geschiedenis van gebakken worden in de zon en een eeuwenoud dieet van rijst. We schaamden ons. Hierover had de juffrouw van de cursus ons niets verteld; wel dat ze als puber zou gaan zoeken naar haar biologische ouders. Uit de amandelvorm van haar ogen op te maken, waren die ouders waarschijnlijk afkomstig uit het noordoosten, tegen de grens met Nepal, misschien uit Nepal zelf. Er waren tientallen miljoenen kandidaten.

Hoe lang heeft de cultuur nodig om de biologie in te halen? Hoe lang moet je met een kind samenleven om een oudergevoel te kweken?

Mijn vrouw en ik hadden tegen elkaar gezegd dat we niet moesten verwachten onmiddellijk in liefde voor ons geadopteerde kind te ontsteken. Dat was verstandig van ons en behoedde ons die eerste maanden en jaren voor een gevoel van mislukking. Niet dat we dat niet hebben gekend; eind vorig jaar geloofden we dramatisch gefaald te hebben. Daarover straks meer.

Op onze cursus leerden we dat de wetenschap adoptiekinderen in twee hoofdgroepen heeft onderverdeeld, de zogenaamde ‘bodemloze kinderen’ en de kinderen die ‘hotelgedrag’ vertonen. De eerste soort is als een vat zonder bodem: hoeveel liefde je er ook in stort, het blijft er doorheen vallen. Onze dochter behoort tot de tweede soort: als vijfjarige gebeurde het dat ze de hand van een wildvreemde in de supermarkt pakte en op schoot kroop bij mensen die ze nooit eerder had ontmoet. We begrepen dat het beter was als we deze universele mensenliefde enigszins poogden te beteugelen voor ze een puber werd.

Toen ze een jaar of zeven was, begon ze haar tekeningen met ‘Anna’ te signeren, de naam die wij haar hadden gegeven. Het begon haar te hinderen dat mensen ‘Vandana’ verkeerd uitspraken of niet konden onthouden – die naam herinnerde haar aan datgene wat ze nu juist niet wilde zijn: exotisch. Sindsdien noemen we haar Anna, maar het heeft een jaar gekost om aan die nieuwe naam te wennen.

Anna vertoonde alle gangbare adoptieproblemen, die erger werden toen de puberteit begon: bedwateren, stelen, liegen, spijbelen. Volgens de psychologen is die gedragsvorm een onbewuste methode om de liefde van haar adoptieouders en verdere omgeving te testen. Ze stal van ons, van haar broer, van vriendinnen. Ze ontkende altijd tot we konden bewijzen dat ze gestolen had. We dwongen haar tot het schrijven van vele excuusbrieven, ook aan ons. Want uit haar mond kreeg ze geen spijtbetuigingen. Ze was nu eenmaal het product van een niet-westerse cultuur, waarin gezichtsverlies allesbepalend is; uit ervaring weet ik nu hoeveel effectiever het oude morele schema van onze schuldcultuur is: op de zonde volgt de bekentenis, soms de straf, en als het goed is de vergiffenis.

De rest van mijn levensdagen zal ik nooit de duisternis vergeten die voor haar gezicht daalde, als een oudtestamentische wolk, wanneer ze betrapt was. Het kon soms een etmaal duren voor ze daarvan hersteld was en zich weer normaal gedroeg. Het was een beproeving. Het dreef ons tot wanhoop. Maar omdat we geen keus hadden – er was geen winkel waar we haar konden inruilen – bleven we haar vertellen wat de wetenschap zei over het bewijs van onze liefde, dat eindeloos opnieuw geleverd moest worden, alsof het een som was waarvan de uitkomst hoogst onwaarschijnlijk leek. ‘Je kunt nu echt ophouden, Anna, we houden toch wel van je…’

Ze herinnerde zich haar eerste moeder niet, maar leefde – en zal altijd leven – met het niet na te voelen gevoel dat die moeder haar weggegooid had. Haar moeder had niet onvoorwaardelijk van haar gehouden. ‘Je ouders waren straatarm, maar gingen wel met je naar een dokter. Ze kochten medicijnen voor je, ook al hadden ze geen rooie roepie. Natuurlijk hielden ze van je. Daarom hebben ze je naar het weeshuis gebracht.’

‘Ik had helemaal geen filariasis.’

‘Nee maar dat wisten zij niet. Geloof me, ze hielden van je. Niemand zou een kind als jij zonder reden kwijt willen.’

Op dat deuntje hebben wij veel liedjes gezongen, die allemaal dezelfde teneur hadden. Hoewel je bent samengesteld uit de genen van onbekenden, ben je ons kind en houden wij van je. Het is een krankzinnige paradox, een uitdaging van de natuurlijke werkelijkheid, een uitputtende dril.

Maar als je blijft zeggen dat je van iemand houdt, kan het zijn dat je van iemand begint te houden. En op haar goede dagen waren haar humor en vrolijkheid onweerstaanbaar. En haar schoonheid: als Anna glimlacht, breekt het trouwservies.

Maar geluk vertelt niet lekker.

Bij gebrek aan een kudde zwijnen waarin op zijn evangelisch duivels kunnen varen, ben je helaas aangewezen op psychologen. Anna heeft menige therapeut versleten en reageerde op den duur sceptisch: ‘Weer een volwassene met wie ik over alles moet gaan praten.’

Eeuwen van oorlog hebben Europa de renaissance en het humanisme opgeleverd; één eeuw van psychologie heeft het aan de rand van de afgrond gebracht. Het bezwaar dat ik tegen het psychologiseren van alles en iedereen heb, is niet alleen dat alles een pathologie wordt, ook de onschuldigste eigenaardigheid – maar vooral dat psychologen in ruil voor geld hun patiënt terugsturen naar zijn of haar eenzame lot. Vergeven kunnen ze iemand niet, dat moet hij of zij zelf doen.

En één vraag bleef terugkeren, bij het ochtendkrieken, bij het zoveelste incident, de vraag die ons hele gezin zachtjes martelde, de vraag die door haar onderbewustzijn bleef waren: was onze liefde, ons aller liefde, ook die van haar voor ons, onvoorwaardelijk?

Iedereen weet hoe je baby’s maakt, maar hoe maak je papa’s en mama’s? Hoeveel tijd kost het om te leren houden van de via een merkwaardige route tot je gekomen vrucht van andermans lendenen? (Voel ik niet een soort jaloezie op die andere vader, en mijn vrouw op die andere moeder?)

Ik sla weer veel over.

In november hing haar een slecht herfstrapport boven het hoofd, wat voor haar nog bedreigender was dan dat zwaard voor Damocles. Ze liep weg en zwierf met haar buspas twee dagen door Brussel en Antwerpen. De politie zat met een grimmig gezicht aan de keukentafel en componeerde moeizaam een lang rapport. De procureur gaf toestemming haar mobieltje te traceren. Ze bleek – ondanks ons verbod – op Facebook te zitten en daar 1300 vrienden te hebben gescoord, van wie meer dan de helft Congolees was. De politie wees op het grote aantal loverboys in die kringen. De recherche kamde vijf huizen in Brussel uit. Onze nachtrust was lelijk verstoord: het drong tot ons door dat Satan de sociale media speciaal bedacht had om ouders in het ondermaanse uit hun slaap te houden.

Toen stuurde ze een sms: ‘Laat me maar even. Alles komt goed. Ik heb gewoon wat ruimte nodig.’ Zo percoleren de fatale begrippen uit het grote koffiezetapparaat van de psychologie naar de hersens van pubers.

We vonden haar terug bij het Centraal Station van Antwerpen, verkleumd, hongerig, bang en alleen. Mijn vrouw nam haar mee naar de dokter; ze was nog intact, dat wel. Maar wat konden we doen om te voorkomen dat de Demon van de Ongewenstheid opnieuw bezit van haar nam?

Blijven oefenen op van haar houden. Haar naar een nieuwe school sturen, waar ze beter op haar zouden letten en meer geduld tonen. Sinds eind november zit ze op een kleinere school en daar heeft ze nog geen enkele onvoldoende gehaald; ongeveer gelijktijdig hield het bedplassen op.

Inmiddels is Anna vijftien, een Vlaams kind wanneer ze Nederlands spreekt, een Amerikaans kind als ze zich in het Engels uitdrukt. Het bedwateren lijkt bezworen te zijn. Het is maanden geleden dat ze nog iets gestolen heeft. Het gebeurt nog sporadisch dat ze spijbelt en vervolgens liegt om dat spijbelen te camoufleren, maar ze schrijft nu spontaan briefjes waarin ze haar leugen opbiecht en zich verontschuldigt.

Gisteren wandelden zij en ik samen door het dorp. Om ons heen dartelde de hond in de onschuld van zijn hond-zijn. Ze streelde hem. Ik keek naar haar gezicht. Geen spoor van duisternis. Ze glimlachte. En mijn hart brak op een prettige manier.

Ik raad niemand adoptie aan, maar ik dank de zalige Teresa op mijn blote knieën voor mijn dochter.

Noot

Anna heeft het bovenstaande gelezen –

het verschijnt met haar toestemming.