RECENSIES MUZIEK

Wolfgang Amadeus Mozart: Vioolconcerto’s 1 en 5, Sinfonia concertante

Vilde Frang, viool; Maxim Rysanov, altviool; Arcangelo, Jonathan Cohen

Warner 0825646276776

In de documentaire van Bruno Monsaingeon over violist Yehudi Menuhin zit een mooie passage waarin beide heren een oude Mozart-opname van Menuhin en Herbert von Karajan beluisteren. Zegt Menuhin: “Het is... goed... maar het lééft niet echt, vindt u niet?” Daar moest ik aan denken bij deze opname van de voortreffelijke violiste en musicienne Vilde Frang. Want inderdaad: je moet als solist niet alleen kunnen spelen, ideeën hebben en ze kunnen verwerkelijken, je moet ook het plezier dat je daarin schept kunnen overbrengen. Liefst voornaam en smaakvol en aanstekelijk en spontaan. En zeker in het geval van Mozart op een instrument en met een boogvoering die goedgekeurd zijn door de historisch erudiete stijlpolitie. Dat allemaal samen is te veel voor een mensenhoofd, dus rest alleen de ultieme, enig relevante, samenvattende vraag: lééft het? Wel ja, bij Frang leeft het. De keuze voor het Eerste en het Vijfde concerto van Mozart en zijn Sinfonia Concertante kon nog een béétje voorspelbaarder; ze had nr. 1 door nr. 3 kunnen vervangen. Maar goed, originaliteit kan bij een Mozart-opname nauwelijks een criterium zijn; wat van hem nog niét vaak is opgenomen, is waarschijnlijk simpelweg die moeite niet waard. Los van de kwaliteit van haar linkervingers en rechterarm, die zeldzaam is maar zeker niet uniek, heeft Frang de meest precieuze eigenschap die een musicus kan hebben: het vermogen om ook de honderdste keer verrast, gecharmeerd of geraakt te zijn door een werk. Zonder dat vermogen kan ook een goede speler slechts in zijn huiskamer schitteren. Bij Frang evenwel, voelt ook dit grijsgedraaide repertoire aan als een mooie wandeling, vol van mededeelzaamheid, maar ook van binnenpret en stille ontroering. Ze krijgt correct weerwerk van altist Rysanov en Arcangelo, al doet een orkest in een ideale wereld iets meer dan niks verkeerd. Al bij al een aanbevelenswaardige plaat, zeker als deze werken tot nog toe aan uw aandacht zijn ontsnapt.

Rudy Tambuyser

Rameau’s funeral

Capriccio Stravagante Les 24 Violons, Collegium Vocale & diverse solisten o.l.v. Skip Sempé

Paradizo PA0013

Ik wil niet op voorhand afbreuk doen aan de cd die het voorwerp vormt van deze recensie, maar de muziek die erop staat is – in weerwil van haar indrukwekkende schoonheid in de besproken uitvoering – een anachronistische collage. De ruggengraat van de rouwmis die op 27 september 1764 ter gelegenheid van de begrafenis van Jean-Philippe Rameau werd gespeeld is de beroemde Messe des Morts die Jean Gilles in 1699 componeerde. Gilles’ Requiem werd tijdens het Ancien Régime voor de begrafenis van zowat elke vooraanstaande Fransman gebruikt en herwerkt, en bij Rameau was dat niet anders: wat een gekke keuze om de meest vernieuwende componist van zijn generatie te gedenken met een (weliswaar flink gefacelift) standaardstuk!

De muzikale ceremoniemeester van dienst – François Rebel – smukte Gilles’ Requiem op met gerecycleerde muziek van de overledene, maar ook met veel slechter passende andere muziek (in bijvoorbeeld de Elévation), en hij voegde aan de bezetting hobo’s, fagotten, hoorns en pauken toe.

Er zijn maar twee maestro’s die dit soort pastiche geslaagd op snee zouden kunnen krijgen: Hervé Niquet, vanuit zijn fabelachtige kennis van vier eeuwen Franse retoriek, en zijn vermogen om elke noot muziek binnen dat kader betekenisvol te krijgen, maar misschien nog meer de Franse Amerikaan Skip Sempé, die het hier vanuit zijn buikgevoel doet, samen met een kransje gelijkvoelende intimi die hij vanaf zijn klavecimbel kan aandrijven. De bezetting die voor deze mis vereist is, is eigenlijk net te groot voor Sempés huiskameraanpak, maar hij krijgt zijn puik spelende ensemble Capriccio Stravagante Les 24 Violons, ons Collegium Vocale Gent, en vier solisten in een perfecte balans gespeeld tussen rouw en spektakel, tussen de grootst mogelijke innigheid en het meest exhibitionistische theater. Sempé berijdt die middenweg niet uit angst voor keuzes, maar vanuit het intuïtieve aanvoelen van de dramaturgie die dit zootje speel- en pruimbaar maakt. Dat de solisten niet altijd loepzuiver zijn neemt niet weg dat ze binnen dit concept aards, humaan, troostend en overtuigend klinken.

Stefan Grondelaers

Arvo Pärt: Stabat Mater – Ivan Moody: Simeron

Goeyvaerts Trio

Challenge Classics CC72616

De nieuwste cd van het Goeyvaerts strijktrio breekt op vele vlakken met de tradities. Het werd daarvoor ook internationaal opgemerkt en kreeg in het najaar van 2014 de gerespecteerde Edison prijs in de categorie kamermuziek.

Eerst al door de manier waarop deze cd tot stand kwam: het eerste succesvolle project met crowdfunding voor klassieke muziek in ons land. Via Kickstarter kon het voor de opname en distributie van deze cd 19.000 € ophalen, de helft meer dan het vooropgestelde bedrag.

Het Goeyvaerts Trio brak ook met zijn eigen tradities: voor deze cd staan naast de drie strijkers ook drie zangers in de line-up, afkomstig uit de rangen van het eveneens grensverleggende ensemble Vox Luminis.

Spraakmakend ook is dat zangers en strijkers musiceren in reine stemming, grotendeels berekend door Pythagoras en gangbaar tot een tweetal eeuwen geleden. Sindsdien zijn onze oren gewend geraakt aan de gelijkzwevende stemming, een compromis om in alle toonaarden te kunnen spelen, maar helaas met veel onzuivere intervallen. In reine stemming spelen is normaal gereserveerd voor veel ouder repertoire. Maar het experiment om het ook te gebruiken in Arvo Pärt en de componist in zijn kielzog, Ivan Moody, zorgt voor een ongehoorde ervaring. Het meest frappant is het feest aan boventonen. Daarvoor moesten strijkers en zangers piekfijn intoneren, zonder enig vibrato. De reine stemming zorgt ervoor dat de harmonieën ongewoon stralen. Het is ook mogelijk omdat deze hedendaagse composities steeds consonant blijven. Beide componisten, de Est Arvo Pärt en de Brit Ivan Moody, schrijven sacrale muziek die beïnvloed is door hun bekering tot de Russisch-orthodoxe kerk. Het Stabat Mater van Pärt, een van zijn meest succesvolle stukken (1985), wordt vaak als verstild omschreven. In deze versie vallen vooral de contrasten op: ijle klanken in de overwegend trage passages versus scherpe ritmische intermezzo’s.

Het tweede stuk, Simeron (‘vandaag’ in het Grieks) is een opdracht van het Goeyvaerts Trio uit 2012. Ivan Moody schreef net als Pärt een stuk waarin stilte een belangrijke rol speelt. Strijkers en zangers brengen de eenvoud met een haarfijne klaarheid. Muzikale puurheid als hoogste deugd.

Véronique Rubens

Christianne Stotijn: If the owl calls again

Warner Classics 5054196393755

Christianne Stotijn is een zangeres die graag buiten het conventionele kader kleurt. Ze verruimt zo het repertoire en etaleert met haar vocale kunst tegelijk haar persoonlijkheid. Haar nieuwste cd If the owl calls again is daar een prachtige illustratie van. Voor wie soms ’s nachts of bij valavond de uil in het bos hoort roepen (zoals ik), heeft deze cd een bijzondere fascinatie, maar ik ben ervan overtuigd dat de muziek ook wie niet van zo dichtbij deze fantastische ervaring in de natuur meemaakt, helemaal in de ban raakt van de nachtelijke sfeer die Stotijn en haar muzikanten oproepen.

Al is Stotijn de centrale muzikante, de cd is geen traditionele lied-cd, veeleer een vocale kamermuziek-cd. Van bij de eerste noten van het beginlied Durch Einsamkeiten van Joseph Marx, evoceert Antoine Tamestit op altviool een intrigerende duistere sfeer. Stotijn gaat via de liederen waartoe de roep van de uil haar inspireren op zoek naar “het oerprincipe van het leven” (citaat cd-boekje). Ze zingt liederen als bezwerende gebeden (Fant de Kanter), naïeve kinderliederen (Moessorgski), archaïsche Joodse teksten (Ravel), Oosterse hindoeklanken van Maurice Delage – met een prachtige vocalise en de heerlijk exotische fluitsolo van Toon Fret. De zachte, diepe stem van Stotijn zingt en zweeft, met een mysterieus timbre, soms extatisch, ook wel eens speels (Arapka), met perfect pianissimo en prachtig legato. De muzikanten van Oxalys accentueren de sfeer van geheimzinnigheid en evoceren samen met Stotijn de buitenaardse wereld waar de uil thuishoort. Mis deze roep van de uil niet!

Lucrèce Maeckelbergh

Alban Berg: Lulu

Barbara Hannigan, Dietrich Henschel & diverse andere solisten, Muntorkest o.l.v. Paul Daniel

BelAir Classiques BAC 109 (dvd)

Wie Vlaamse opera-afficionado’s naar hun favoriete voorstelling van de afgelopen jaren vraagt, zal van een groot aantal liefhebbers Lulu horen, de spraakmakende Muntproductie (uit 2012) van Alban Bergs opera (uit 1937) over het diabolische kindvrouwtje dat al haar echtgenoten vernietigt totdat het zelf ten prooi valt aan Jack the Ripper.

Er is geen enkele inhoudelijke reden om van Lulu een opwekkend spektakel te maken, maar regisseur Krzysztof Warlikowski slaagt er ook nog eens in de onderbuik van het gebeuren zo in beeld te brengen dat (minstens het mannelijke deel) van het publiek zich mededader voelt van wat Lulu overkomt. Dat was in Warlikowski’s Don Giovanni-productie eind vorig jaar niet anders, en aangezien Don Giovanni de opera der opera’s is leverde dat een flinke portie heisa (om eigenlijk niets) op.

Voor Alban Bergs Lulu uit 1937 zijn er gelukkig veel minder vergelijkingspunten, en dus kon Warlikowski nog een stuk verder gaan in zijn ontbening van troetelthema’s als het verlies van identiteit, misbruik, en macht. Nooit zag ik zo’n verbluffende enscenering van onontkoombare, naar beneden zuigende ondergang, en met name Warlikowski’s talent om een en ander nog een tikje rauwer in beeld te krijgen dan je zelf al geanticipeerd had maakt het geheel huiveringwekkend intens.

Omdat het drama in deze productie vooral gedragen wordt door ijzersterk geregisseerde personages, is de transformatie van de scène naar de dvd redelijk geslaagd. Over het fenomeen Barbara Hannigan en haar Lulu kon u in de vorige STAALKAART al lezen: ik ga geen woorden verspillen aan een talent dat niet in woorden te vatten is. Tegenspeler Dietrich Henschel gedijt het best in weinig gespeelde opera’s waarin hij geen last heeft van concurrerende baritons die als referentiepunt gebruikt kunnen worden voor het feit dat Henschel technische correctheid en klankschoonheid durft op te offeren aan expressie en gevoel.

In afwachting van de herneming van dit monument, kan ik deze dvd alvast van harte aanbevelen als fraaie zoethouder.

Stefan Grondelaers

Joseph Jongen: On the Wings of Winds

Blaaskwintet 5 Beaufort en Hans Ryckelynck, piano

Phaedra – In Flanders’ Fields #85

Net als Gustav Mahler componeerde de Belgische componist Joseph Jongen in een vakantiehuis. In zijn geval in het Ardense dorp Sart-les-Spa, waar hij rust en inspiratie vond tussen zijn werk als directeur aan de Conservatoria van Luik en Brussel. Het omvangrijke oeuvre van de componist, haast in alle denkbare instrumentale bezettingen, is erg consistent. Los van de muzikale ontwikkelingen bleef Jongen tot bij zijn dood in 1953 schrijven in een stijl die herinnert aan de vroege Claude Debussy.

Ook op deze cd rijmen alle stukken van Joseph Jongen met weelde. Mijn favoriet is de Rhapsodie opus 70, voor blaaskwintet en piano, waar geen einde lijkt te komen aan de muzikale verbeelding van Joseph Jongen. Met zes muzikanten bereikt hij een klank met symfonische allures. De blazers van 5 Beaufort komen allen uit de solistenrangen van het Nationaal Orkest van België. De rijke muzikale textuur laten ze gloedvol klinken. Tegelijkertijd verstaan ze de kunst om de climaxen te doseren en elkaar ruimte te laten in de respectievelijke solo’s. Het lijkt vaak op een concerto voor zes. Zeker ook voor pianist Hans Ryckelynck die de klaterende virtuoze passages ook subtiliteit meegeeft. In andere stukken primeert de elegantie, zoals een meeslepende Danse Lente voor fluit en piano. In het Concerto brandt opnieuw een heftiger muzikaal vuur los. Een portret die inventiviteit van Joseph Jongen alle eer aandoet.

Véronique Rubens

Bach & Ysaÿe, vol. 1

Antje Weithaas, viool

Avi 8553320

Over deze nieuwe plaat van violiste Antje Weithaas geraak ik maar niet uitgepraat, dus zal ik het, beducht om te zeuren of te drammen, kort houden. Weithaas was vorig seizoen in residentie in deSingel. Daarvan maakte een lecture-recital over Bachs beroemde Chaconne (uit de solopartita in re klein) deel uit, en ook het grote solorecital iets later was rond die Tweede Partita opgebouwd. Naast ander solowerk van Bach stond toen Ysaÿe op het programma, een vaak gemaakte combinatie – heel veel vioolsolorepertoire dat voor commerciële opname in aanmerking komt is er niet, en Ysaÿe’s zes sonates zijn verregaand door Bachs drie partita’s en drie sonates geïnspireerd. Na Weithaas’ indrukwekkende doortocht was mijn wens – behalve dat ze snel zou terugkomen – dat ze die fabelachtige lezingen zou uitbrengen. Dat is ondertussen gebeurd. Het eerste volume, met de Sonate in g en de Partita in d van Bach, en de eerste twee sonates van Ysaÿe, verscheen bij Avi, naar mijn mening op dit moment het meest belangwekkende label voor kamer- en ander klein werk. Technische en epische soevereiniteit, stilistisch inzicht, onophoudelijke creativiteit in de details, een luxueus zicht op de grote, architecturale boog over de stukken... Weithaas heeft ons van een nieuwe referentie voor deze werken voorzien, die denkelijk nog lang zal meegaan. Ga haar kopen in vijfvoud en schenk haar gul.

Rudy Tambuyser

Franz Schubert: Winterreise

Matthias Goerne, bariton; Christoph Eschenbach, piano

Harmonia Mundi HMC 902107

Deze cd is het slotstuk van de Schubert-editie die Matthias Goerne in 9 volumes voor Harmonia Mundi heeft opgenomen. Het is tegelijk een subliem culminatiepunt van de liedkunst van de bariton. Eerdere volumes (4, 5 en 6) werden reeds in STAALKAART (# 3, # 10 en # 16) met lof gerecenseerd. De persoonlijke klank van zijn stem is niet altijd even fraai, maar des te expressiever en daar komt het Goerne op aan. Esthetiek is niet zijn streefdoel, wel tekstgetrouwheid en vooral het evoceren van de innerlijke inhoud. Het wisselen van hoog naar laag register getuigt niet van perfecte souplesse maar dient de intensiteit. Het lichte vibrato wijst vooruit op de hardheid en het ijzige van de bange tocht, de reis naar de hallucinante confrontatie met de eeuwigheid. Zelden klonk “Eis” zo ijzig, “Tränen” als wenen. Goerne neemt het ‘langsam’ dat Schubert vraagt in Frühlingstraum ongelooflijk mooi. Zinvol is de korte pauze na Einsamkeit als einde van het eerst deel: een triest slot van de eenzame. Elk lied is een aangrijpend drama. Met Der Leiermann eindigt de tocht om bij te wenen.

Het meest wonderlijke van de opname is de ideale symbiose met de pianist. Eschenbach volgt de ‘Wanderung’ van de door het winterlandschap zwervende ik-verteller letterlijk op de voet. Waar Goerne in de drie laatste liederen – geveld door vermoeidheid – het tempo vertraagt, volgt Eschenbach ook tot bijna onhoorbare stilte. Wat een duo! Een aangrijpende en visionaire vertolking van de meest grandioze liedcyclus van het repertoire.

Lucrèce Maeckelbergh

Johann Sebastian Bach: Goldbergvariaties

Philippe Thuriot, accordeon

Warner, presented by Klara

Lang geleden liep de intussen legendarisch geworden samenwerking van Gustav Leonhardt en Nikolaus Harnoncourt – voor de eerste integrale van Bachs cantates – bijna mis, nog voor ze goed en wel ontstond. Harnoncourt vroeg Leonhardt om hulp bij een arrangement van Die Kunst der Fuge voor zijn groep. Die weigerde: Die Kunst der Fuge was voor klavier, als het al geen klavecimbel was, en daarmee uit. Wat de grote Leonhardt zou gevonden hebben van de Goldbergvariaties op accordeon, lijkt duidelijk. Dit is dan ook geen plaat voor wie zijn instrumentaal purisme deelt.

En toch. Ik maak me sterk dat Bach zelf met dit huzarenstuk van Philippe Thuriot zeer blij zou zijn geweest. Niet zozeer omdat hij een organist was en het accordeon wel eens ‘the poor man’s organ’ wordt genoemd. Niet in de eerste plaats omdat Bach zelf thuis zowat alles op het nu vergeten klavichord speelde – het ging hem, anders dan Bart Peeters, nu eenmaal meer om wat het was dan om wat je ermee deed. Maar wel omdat in deze lezing de polyfonie zo natuurlijk en evident beluisterbaar is. Dat ligt in de eerste plaats aan de even consequente als slimme en smaakvolle registraties die Thuriot voor zijn arrangement heeft gekozen. Overigens was het arrangeren niet meer dan registreren, want Thuriot heeft de noten bewaard zoals ze zijn. Uiteraard moet je het tenslotte gespeeld krijgen, en dat kan deze prachtmuzikant verbluffend sterk. Kort en goed: ik heb een aanzienlijk deel van mijn leven met de Goldbergvariaties doorgebracht, maar bij deze lezing kan ik weinig meer doen dan nederig en dankbaar zijn. Dit soort combinatie van muzikaal verstand én buikgevoel én ambachtelijk gehalte, aangewend in een van de beste stukken ooit geschreven, dat is een geschenk.

Rudy Tambuyser