BOEKEN

De hemelbestormer & vuurmeester van de Nederlandse letteren

A.H.J. Dautzenberg

A.H.J. Dautzenberg © Adrie Mouthaan

Op 5 jaar tijd schreef Tilburgs glorie Anton Dautzenberg maar liefst 10 boeken, stuk voor stuk kwieke getuigen van zijn literaire flair en niet aflatend engagement. Wie zijn werk niet kent, neme het ter hand: u zal zich alleszins niet vervelen. Tijdens de presentatie van Dautzenbergs nieuwste roman Wie zoet is noemde kunstbroeder P.F. Thomèse elk boek van de Limburger “een baksteen door de glanzende etalageruit van de Nederlandse winkel vol tevredenheid”.

Verguisd en geprezen, beschimpt en bejubeld, elke nieuwe Dautzenberg doet hoe dan ook stof opwaaien. Zijn compromisloze betrokkenheid laat niemand onberoerd en wordt weleens als provocatie of aanstellerij ervaren. Zo publiceerde hij een glossy magazine om de armoede te bestrijden, doneerde een nier aan een onbekende en werd lid van vereniging Martijn, uit protest tegen de heksenjacht op pedofielen. “Wat mensen van me vinden, daar ben ik niet mee bezig, laat ze maar roepen. Ik denk dan: als ze al die haat op mij projecteren, voelen ze zich wat lichter en is er wat meer ruimte voor liefde.” Laurent De Maertelaer

In nagenoeg alles wat over u verschijnt wordt u als een controversieel figuur afgeschilderd. U wakkert enorme polemieken aan, die dan breed in de pers worden uitgesmeerd. Uw reputatie lijkt me moeilijk te rijmen met de aimabele en rustige man die hier nu naast me zit...

“Wel, op het moment dat je de publieke ruimte betreedt, word je een soort boksbal. Het projectievermogen van de mensen gaat heel makkelijk door de rooie. In mijn geval worden dan vaak woorden als ‘enfant terrible’ of ‘controversieel’ gebruikt, maar dat zegt meer over de omgeving dan over mij. Ik vind mezelf helemaal niet controversieel, integendeel. Wat ik doe is juist heel genuanceerd en doordacht. Alleen, mijn woorden en daden worden telkens teruggebracht tot eendimensionale oneliners, waardoor ik onvermijdelijk in een hokje terechtkom. Ik heb daar weinig of geen last van, behalve dat mijn maatschappelijke carrière er helemaal aan is gegaan. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het aantal ontslagen dat ik heb moeten verduren, omdat ik ‘besmet’ ben.”

Die ‘besmetting’ heeft dan vooral te maken met het feit dat u het opneemt voor pedofielen…

“Ja, dat is een debat waar ik in 2011 instapte. Wat me bij de hele pedofiliediscussie mateloos irriteerde was de eenzijdige benadering van ‘de pedofiel’ en in het verlengde daarvan het zondebokmechanisme dat zich meedogenloos op gang trok. Ik zag hoe de politiek en de media door het thema gegijzeld werden. Als tegenreactie werd ik lid van de vereniging Martijn [een Nederlandse organisatie die streefde naar wettelijke en maatschappelijke acceptatie van seksuele relaties tussen volwassenen en kinderen – LDM] om aan te tonen dat pedofielen mensen zijn waar je gewoon mee in dialoog kan treden. Om hun kant van het verhaal op te tekenen en te laten zien dat je een kwetsbare minderheid niet verder in de verdrukking moet brengen, maar wel degelijk moet helpen.”

Die beslissing werd u niet in dank afgenomen: u werd gezien als een kinderverkrachter en kreeg heel wat haat over u heen...

“Kijk, we hebben in het strafrecht geregeld dat je van kinderen afblijft, dat is duidelijk. Dat weet iedereen, dat weten pedofielen ook. Anderzijds zegt het veel over een democratie als je nagaat hoe die met de meest kwetsbaren ervan omgaat. Wat die hele discussie dan gaat vervuilen, is dat de pedofiel gereduceerd wordt tot een kinderverkrachter, en ik steun dan zogezegd kinderverkrachters. Terwijl het tegenovergestelde het geval is. Niet alle pedofielen zijn verkrachters. Kindermisbruik gebeurt vooral door vaders, in een gezinssituatie dus. Daar loopt iedereen met een boog omheen en die pedofiel krijgt overal de schuld van. Ik heb die jongens leren kennen en heb er echt mee te doen. Ik vind het vreselijk hoe de politiek in Nederland met hen omgaat. Als het over pedofilie gaat, slaan mensen tilt. Wie het thema verkent, raakt inderdaad besmet. Ik heb me een hele tijd radioactief afval gevoeld, terwijl het enige wat ik wil is genuanceerd naar dit zeer complex thema kijken en eventuele oplossingen aandragen.”

Naast uw lidmaatschap van Martijn heeft de hele kwestie of u nu wel of niet een nier heeft afgestaan voor heel wat beroering gezorgd….

“Nou, om iedereen die er nog wakker van ligt gerust te stellen: ik heb die nier wel degelijk afgestaan! In 2010 om precies te zien, het jaar nadat mijn vader is gestorven. Ik heb mijn vader van dichtbij begeleid bij zijn sterfproces en mijn roman Samaritaan is een reactie op het onvermogen dat me toen verlamde. Ik had een contract bij Atlas Contact kunnen versieren nadat ik een verhaal in het Hollands Maandblad had gepubliceerd. Toen mijn toekomstige uitgever vroeg of ik nog iets had liggen, kwam ik uit op die nierkwestie en in Samaritaan verken ik die motieven. Vreemd genoeg was het van begin af aan voor iedereen een uitgemaakte zaak dat ik dat verhaal van die nierdonatie verzonnen had. En opnieuw speelden de media hierin een vreemde rol, zoals bij het nu ter ziele gegane praatprogramma ‘Pauw en Witteman’. Die vonden het leuk om het toch wat ambigu te maken. Mensen werden echt boos op mij, terwijl ik nergens had ontkend dat ik níet had gedoneerd! In mijn laatste verhalenbundel En dan komen de foto’s heb ik het dan maar op de spits gedreven en mezelf geïnterviewd, als een soort hommage aan Reves Tien vrolijke verhalen waarin hij eveneens zichzelf interviewt. Daar ontkent het Dautzenberg-personage ooit een nier te hebben afgestaan. Dat was een grap, maar ja. Een journalist las dat verhaal, nam het voor waarheid aan en kort nadien stond in alle kranten dat ik ontkende! Ik ben dus niet alleen voor de eeuwigheid die kinderverkrachter, maar ook die kerel die zijn nierdonatie heeft verzonnen (lacht).”

Op 5 jaar tijd 10 boeken bij elkaar schrijven, dat is een behoorlijk hels tempo...

“Welja, maar anderzijds kreeg ik er de kans toe, die ik met beide handen heb gegrepen. Vanuit een zekere verlegenheid, gecombineerd met depressie en angsten, heb ik heel lang mijn creativiteit onderdrukt. Ik kon de blik van mensen niet verdragen en had het bijzonder moeilijk. Op een bepaald moment is het deksel van die kokende pan gesprongen, met terugwerkende kracht zeg maar – ik had jaren op een slapende vulkaan geleefd. Ik vind het schrijven zelf ook veel interessanter dan de schnabbels erbuiten. Natuurlijk is het nu wel fijn om met jou over mijn werk te praten, maar lezingen of ontmoetingen in boekhandels en zo, dat doe ik helemaal niet graag. Hoewel, vanavond ben ik hier van dienst in de Livius [de Tilburgse boekhandel ‘Livius De Zevensprong’ – LDM], samen met Lodewijk Wiener. Wat dan weer wel erg aangenaam is, natuurlijk.”

U had zelf niet misstaan in Vuur!, uw pas verschenen bloemlezing met teksten over bezieling en betrokkenheid in de Vlaamse en Nederlandse letteren. Hoe gebeurde de selectie?

“Heel intuïtief. Ik hanteerde met opzet een erg flexibele definitie van engagement, net om verenging en verkleining tegen te gaan. Ik wil literatuur groter, niet kleiner maken. Ik heb geen harde criteria gebruikt. Wat ik als engagement beschouw, vindt iemand anders misschien gewoon lastig. Als ik nu terugkijk naar de thema’s die ik in Vuur! verken, leek het bij wijze van spreken inherent aan het schrijverschap om dergelijke onderwerpen te exploreren. Daar komt bij dat veel van die schrijvers in hun tijd meestal als verre van controversieel werden bestempeld. Vandaag lijkt een schrijver bijna teruggebracht tot een behaagzieke romanticus, die de lezer lieve uurtjes dient te bezorgen. Ik heb in ieder geval als lezer ook genoten van schrijvers die mij irriteren of confronteren.”

Het is een lijvig boek geworden…

“Ik selecteerde 50 teksten en kreeg uiteindelijk voor 47 ervan de toestemming voor publicatie. Het boek kwam er op vraag van de uitgever. Ik begon bij Erasmus, nam uiteraard de nodige Belgen op, en beperkte me tot proza. Geen poëzie dus, omdat ik daar minder in thuis ben. Niettegenstaande is mijn indruk dat er meer geëngageerde poëzie bestaat dan proza van dergelijke strekking. De woede die in elk engagement aanwezig is, rendeert misschien beter op de korte baan? Afijn, ik maakte per schrijver een lemma en plaatste ze vervolgens in chronologische volgorde. Er staan een paar beruchte teksten in. Zo is er het befaamde Vrede tractaet van Isabella de Moerloose, maar ook een fragment uit Sophie van Virginie Loveling, een heel mooi boek is dat. Of van Cali-Nicta, het pseudoniem van Herman Heijermans in het begin van zijn ontluikend idealisme. Een andere persoonlijke favoriet is een tekst van de Vlaming Paul Kenis, De apostels van het nieuwe rijk, over een anarchistische kolonie begin 20ste eeuw waar hij een tijdje deel van uitmaakte. Brief aan Hugo Raes van Jef Geeraerts vind ik ook zo’n vergeten parel, ronduit schitterend! Maar er is ook Wim Neetens, en recenter, Dimitri Verhulst…”

Er zitten ook een aantal ‘aangebrande’ auteurs tussen…

“Ja, ik wilde alle kleuren laten zien en niet alleen voor mijn eigen parochie preken. Zo is er bijvoorbeeld Robert van Genechten, die ik opnam met zijn Van den vos Reynaerde. Van Genechten was helemaal fout, collaboreerde in de Eerste én de Tweede Wereldoorlog. Hij schreef een antisemitische, nationaalsocialistische versie van de Reinaert. Een andere man met smet op zijn blazoen is Filip De Pillecyn. In Vuur! is zijn novelle De boodschap opgenomen.”

Dat u niet schrijft om de lezers ‘lieve uurtjes’ te bezorgen, mag blijken uit uw jongste roman Wie zoet is, waarin u in het hoofd kruipt van een getormenteerde ziel met een Sinterklaasobsessie…

“Ja, het hoofdpersonage is op zoek naar verlossing, maar sukkelde helemaal in het isolement en de verdrukking. De stijl volgt precies die gevoelswereld, waardoor er geen exuberant stilistisch taalgebruik is, want dat hoort niet bij elkaar. Naar het einde toe, wanneer het hoofdpersonage beseft dat hij het noodlot niet meer kan ontlopen en het zelfs omarmt, eist de stijl de lezer helemaal op.”

Klop het als ik zeg dat Wie zoet is uw eerste niet-autobiografische roman is? In een verantwoording beweert u anderzijds dat de roman gebaseerd is op waargebeurde feiten.

“De verantwoording maakt natuurlijk nog steeds deel uit van de roman. We leven in een tijd van opschonend realisme; objectivering en non-fictie hebben een hogere status dan fictie. Ik kreeg al reacties met de vraag of ik die man goed gekend heb. Absurd. Maar om op je vraag te antwoorden: elke roman is volgens mij tot op bepaalde hoogte autobiografisch. Wat hier speelt, is dat ik door het verkennen van de pedofielenthematiek – de Martijn-kwestie – ook in een soort isolement ben terechtgekomen. Dat was geen trauma, maar wel bijzonder onaangenaam en erg onrechtvaardig. Wat er evenzeer in zit, is het feit dat ik na 17 jaar gestopt ben met antidepressiva. Ik heb in zekere zin mijn eigen situatie getransponeerd naar deze protagonist. Het boek is helemaal onderkelderd, met inbegrip van enkele autobiografische kelders, zeg maar.”

Op de achterflap van Wie zoet is komt J. van Oudshoorn ter sprake. Het is zoniet de meest moderne naturalistische roman die ik ooit las, dan wel de meest hedendaagse…

“In het werk van bijvoorbeeld Van Oudshoorn is in ieder geval de strijd van de eenling met zijn omgeving én zichzelf sterk aanwezig: het noodlotsdrama dat zich voltrekt. Ik moest tijdens het schrijven heel sterk denken aan die naturalistische klassiekers van begin vorige eeuw. Emants had ik in mijn verhalenbundel al naar deze tijd getransponeerd. Ik ben hoe dan ook bijzonder gecharmeerd door de romans uit die periode.”

Wat heeft u eigenlijk met Sinterklaas?

“Nou, ik denk dat wij er allemaal wel iets mee hebben (lacht). Hij symboliseert tradities waar we krampachtig aan vasthouden, maar aan de andere kant staat hij ook voor angst. Mijn hoofdpersonage is heel verticaal ingesteld en Sinterklaas is voor hem een machtig en angstaanjagend symbool, zeker vanuit een kinderlijk perspectief bekeken – een perspectief dat de man nooit echt is kwijtgeraakt. Ik had zelf als kind altijd een sterk onprettig gevoel bij Sinterklaas. De cadeautjes en het mysterie vond ik leuk, maar van de persoon Sinterklaas was ik wel degelijk bang. Bij ons is Sinterklaas één keer thuis geweest, gespeeld door ome Toon, de broer van mijn moeder, en hoewel er niets gebeurd is vond ik het best onverkwikkelijk. Later hoorde ik dat ome Toon wel eens aan kinderen zat. Dat was algemeen bekend; in de jaren ‘50 werd daar niets van gezegd.”

Gezien de vaart waarmee u schrijft, ga ik ervan uit dat er nieuw werk aankomt?

“Jazeker, een feuilleton dan nog, over Reinaert de Vos. Iets waar ik heel enthousiast over ben en dat ik nu opstart met Paul van der Steen, de vaste tekenaar van het NRC. Het kwam daarnet al ter sprake, maar toen ik bezig was met Vuur! verdiepte ik me in Reinaert de Vos, van 1300 tot nu. Wat je ziet, is dat de Reinaert startte als satire, als een kritiek op de verticale samenleving, maar bijna iedere eeuw een nieuwe adaptatie kreeg. Op een bepaald moment was hij een revolutionair zoals bij Boon of zelfs een nationaalsocialist, zoals bij van Genechten. Je kunt haast stellen: elke eeuw krijgt de Reinaert die hij verdient (lacht). Ik was dus benieuwd naar hoe Reinaert er in de 21ste eeuw zou uitzien. Toen ging ik met Paul praten, het NRC hapte toe en vanaf januari starten we onder de werktitel ‘De Vos en partners’. We gaan voor 26 wekelijkse afleveringen en hopelijk slagen we erin het feuilleton ook in een Vlaamse krant te krijgen. Verder wil ik weer een korte verhalenbundel, want dat blijft het genre waar ik me het beste bij voel.”

A.H.J. Dautzenberg, Wie zoet is, Atlas Contact, 2015, ISBN 9789025442200, 240 blz., € 19,99



Vuur! bezieling en betrokkenheid in de Vlaamse en Nederlandse letteren, samengesteld door A.H.J. Dautzenberg, Atlas Contact, 2015, ISBN 9789025445690, 369 blz., € 22,99